← Table of contents
Ben-Hur

ONTMASKERD.

Reading edition

Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen, om ook iets van het feest te zien.

Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging.

Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet koeler kunnen ontvangen.

—Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de gelegenheid zijn dat te doen.

Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te wenden.

—Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van ons den krans moet hebben?

Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet een man haar daarin ter wille zijn.

—Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien men onlangs zulke groote verwachtingen had?

Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet.

—Heeft hij Rome al omvergeworpen?

Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt, het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en één woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts verlangen kan.

Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk. Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen.

Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van Indië, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen.

—De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het beter te maken.

Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te zien!

Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde.

—In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der wereld! Hahaha!

In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen. Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog.

Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht, hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte.

Dat zich afwenden van de Schoone Poort—gaf de Nazarener zelf daarmede niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk?

—Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt, geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit ontmoet hebben. Spreek! Ik luister—indien gij ten minste een anderen toon wilt aanslaan.

Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga!

—Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak bij was, riep zij hem terug.

—Nog één woord.

Hij bleef staan, en zag om.

—Bedenk dat ik alles van u weet.

—Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende.

Zij zag hem aan met verstrooiden blik.

—Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche broederen.

—Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij onverschillig.

—De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij.

—Is dat alles wat gij van mij weet?

—De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen brengen u te redden.

—Mij te redden?

Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot voorzichtigheid.

—Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het paleis Idernee, zeide zij langzaam.

Ben-Hur ontstelde.

—Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne bondgenoten.

Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond. Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen? Aha! gij verschiet van kleur?

Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong voor zich ziet.

Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geëvenaard?

Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden; doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij mij in uwe netten weten te krijgen—dwaas die ik was! één antwoord zijt gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld? Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld?

Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,—de uitdrukking van Iras' gelaat werd zachter.

—In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in stukken sloegen, om ze daarna tot één geheel samen te voegen. Ziet gij niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren? Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet wat ik doen zal.

—Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden.

—Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van....

—Welnu? van wien?

—Van den zoon van Hur zelf.

—Heeft niemand anders er toe bijgedragen?

—Neen, niemand.

Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te laten wachten. Vaarwel!

Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver de hand naar hem uit.

—Blijf! zeide zij.

Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest.

—Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk, dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis!

Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien; zelden had hij haar zoo schoon gezien.

—Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren later zaagt gij hem in den circus te Antiochië.

—Messala!

—Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood. Red hem, ach, red hem!

Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem, alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de oude trotsche, overmoedige uitdrukking.

—Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit verzoek?

—Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar.

—Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord ter wille van de waarheid!

—O, begon zij, hij is....

—Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het kort.

Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid van hare natuur.

—Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had? Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen, ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel.

Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg.

—Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn vaders bezittingen toeëigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen, hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israël voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want alles, wat ik van den duumvir geërfd heb, is verkocht, en de opbrengst is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief. Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga nu, ik ga ook.

Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen, terwijl zij naar buiten ging.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings