← Table of contents
Ben-Hur

MALLUCH.

Reading edition

Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe.

—Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk.

—Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg?

—Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is.

—De renbaan!

—Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal voor de mededingers.

—Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen.

—Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds.

Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij?

—Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochië.

—Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons gaan.

Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn zoon draagt de kleeding van een Jood?

—De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur.

—O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen.

Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste amphitheaterswijze.

Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel.

—Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van maken.

Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf, uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop.

Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke paarden zag ik nimmer.

Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen.

—Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij? vraagde Ben-Hur.

—Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras, afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde Malluch.

De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik onrustiger.

—Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten, gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije kinderen der woestijn, evenals gijzelf!

De paarden werden wilder en wilder.

—Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner; zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan—

Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon! riep hij een oogenblik later, Asalthiël! Gaat dan toch en houdt ze tegen! Spreekt tot hen! Eén woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om een Romein te vertrouwen!

Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk aan hartstocht grenst.

't Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt gelijk aan elkander, en zoo goed geëvenredigd, dat zij kleiner toonden, dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen, terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de schoon gevormde pooten—alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk.

Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden, zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,—hij moest zijn woede openlijk lucht geven.

Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen.

Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk. Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner—wie kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering.

Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht. Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen, geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld—zijn instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala.

Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding, bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig, overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings