← Table of contents
Ben-Hur

DE GALEISLAAF.

Reading edition

Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet onmogelijk was de vloot in te halen vóór het aangewezen punt, bracht Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N°. 60 verloor hij intusschen niet uit het oog.

—Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den hortator, die een aflossing bevolen had.

—N°. 60?

—Ja.

—De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip.

—Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend.

—De edele Quintus heeft een scherpen blik.

—Hij is zeer jong, vervolgde Arrius.

—Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe.

—Hoe is zijn aard?

—Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts eenmaal een verzoek gedaan.

—Welk?

—Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan weer aan de linkerzij wilde plaatsen.

—Gaf hij een reden op?

—Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en dan zou hij niet van zessen klaar zijn.

—Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt?

—Hij is veel zindelijker dan de anderen.

—Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan.

—Weet gij niets van zijne geschiedenis?

—Niets hoegenaamd.

De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen.

Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun N°. 60 naderen.

—De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik.

Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt.

—Dat is heel vriendelijk van hem.

—Zijt gij reeds lang in dienst?

—Bijna drie jaar.

—Aan de riemen?

—Ja, ik heb geen dag rust gehad.

—Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en gij—gij zijt nog zoo jong.

—De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt. Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet bezwijken.

—Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood.

—Mijne voorvaderen waren Hebreën lang voordat de eerste Romein bestond.

—Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius, den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende.

—Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt.

—Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn?

—Dat ik een Jood ben.

Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn. Tot welken stand behoort gij?

—Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof.

—Hoe heette hij?

—Ithamar, uit het huis van Hur.

—Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur—gij? Na een oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen?

Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator.

—Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn schip te Lodinum, en hoorde het daar.

Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk.

Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder—moeder! en mijn lieve Tirza! Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan.

Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden.

—Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij. De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord, geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren. Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende. En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik—

—Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng.

De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht, en bij de liefde, waarmede hij Israël van den beginne heeft liefgehad, betuig ik: Ik ben onschuldig!

De tribuun was diep bewogen.

—O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een straal van licht vallen in mijne duisternis.

Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer.

—Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande.

—Neen.

De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord—geen getuigen opgeroepen? Wie heeft het vonnis over u uitgesproken?

De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit méér gesteld op het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun verval.

—Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand, en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten weggebracht naar de galeien.

—Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren?

—Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen. Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten. Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis, familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er nog over.

—Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd?

—Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan. Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld.

—Waar was uwe moeder?

—Beneden in haar kamer.

—Wat is van haar geworden?

Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag dat zij haar meesleurden—dat is alles. Alle levende ziel werd uit het huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,—maar 't is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen. Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld.

Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur; maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een ongeluk te boeten. Dat ging te ver.—De tribuun was een zeer streng man; maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den goeden tribuun.

In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak. Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was geen haast bij, terwijl hij wèl haast had om Cythera te bereiken. Den besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven leugenaars.

—Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan.

Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun, wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van mijne moeder en zuster.

Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden, dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren. Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!—Halt! riep hij luid.

Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de tribuun.

—De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende lippen.

—Neen, bij alle goden, neen!

—Dan wil ik u gaarne antwoorden. Vóór alle dingen zou ik mijn plicht doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf. Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar méér terugbezorgen!

Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen?

Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen?

—Ja.

—Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond vóór dien vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts ééne leerschool is, zou ik daar heengaan.

—De arena! riep Arrius.

—Neen, een Romeinsch kamp.

—Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren.

Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven. Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij, en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij misschien wat met u heb willen vermaken. Of—indien gij er toch met hoop voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt geen Romein. Ga!

Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb ik mij met u willen vermaken,—hem voor den geest kwam, verdreef hij haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde. Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij: o God, ik ben een echte zoon van het volk Israël, dat gij zoozeer bemind hebt. Help mij, o help mij!

VIERDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings