← Table of contents
Ben-Hur

BEN-HURS BESLUIT.

Reading edition

Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor, waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden. Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken.

Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon, rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat, die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te maken.

Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther deze aanvechtingen versterken.

—Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar.

—Neen, luidde het antwoord.

—Zoudt gij er niet eens heen willen?

—Neen, liever niet.

—Waarom niet?

—Ik ben bang voor Rome.

Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen beschouwen?

—Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt. Waarom ... zij aarzelde en zweeg.

—Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk.

—Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd; waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen?

Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan, dat ik deed?

Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi?

—O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is.

—En is het leven daar rustig?

—Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat?

—Goede meester....

—Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder.

De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van—van—

—Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend.

—Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone villa.

—Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar, omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan—ach Esther, al was dat ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in slaap kunnen wiegen.

—Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden?

Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij?

—Ja, antwoordde zij eenvoudig.

Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther, zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het handje naar zijne lippen en liet het toen weder los.

—Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther.

—Wie is Tirza?

—Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet, vóórdat ik aan rust of geluk kan denken.

Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken grootendeels aan hem over.

Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond.

TIENDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings