TELEURGESTELD.
Reading edition
Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen.
Ja, dàt moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen.
De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit. Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker, sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele vlag.
Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder. Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in? Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat gij hebt en—uzelf?
Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was, behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad, legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.
Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden? Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging gevoelen.
Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.
—Wat is er van uw verlangen?
—Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.
—Wil mij dan volgen.
De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap. Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis stond. Vóór hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw, welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven gordijn.
—Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om onzen reiziger aan te dienen.
Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.
Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht. Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van voetstappen er zich geheel in verloor.
In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne handen omhooghief.
Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.
—Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.
—Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood, antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen met wien ik spreek.
Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.
—Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude beide handen toe.
De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling. Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.
Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van onzen God zij met u; ga zitten en rust.
Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon: Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal aanzien. Gisteren naar Antiochië reizende, vernam ik dat hij mijn vader gekend heeft.
—Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek, geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.
Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij, zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza! Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,—hij is immers uw vader ...?
—Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.
—Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid ik u, een oogenblik naast mij staan.
Het meisje deed wat haar verzocht werd.
—Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die man zijt.
Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de vuist.
—Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?
Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon: Ik ben oud geworden vóór mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij, die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God van Israël sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn ganschen hart. Een van die—hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere wijze Esthers hand aan zijne lippen—tot heden onverdeeld de mijne, was mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij genomen werd.
Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.
—De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!
Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt gij, niet waar?
Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel: Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift? Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?
De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.
Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen, zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!
Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen, dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die stille smart en wachtte zwijgend.
—Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.
—Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.
Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt zijn verhaal opvatten.
—De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten, of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij soms waarom ik zijne andere gaven wèl aannam? Dan antwoord ik: Ik had hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten, die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won—en aan de muren der villa te Misenum hangen er verscheidene—kwamen tot mij, als zoon van Arrius den duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne plannen verliet ik Rome voor Antiochië, vast besloten om den Consul Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren van Simonides, den grootsten koopman van Antiochië. Hij vertelde ons van zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen, weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.
Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even; toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.
—Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de schaduw van verdenking nog op mij rust.
Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde het stilzwijgen.
—Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand, vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den gouverneur dezer stad in Antiochië vertoeft; maar ik kan niet bewijzen dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.
Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden: De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid ik u.
Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides, uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.
Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.
—Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag, die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn? O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?
De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie geworden is; maar—ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van den aardbodem verdwenen.
Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan—dan is weder een hoop vervlogen, zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.
Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.
—De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.
Esther kon niet spreken, zij snikte luid.
En zoo vertrok hij.