EEN ROMEINSCH DRINKGELAG.
Reading edition
Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius. Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochië bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen.
Daar wij slechts met één vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen gelegenheid te doorwandelen.
Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht.
Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen ternauwernood de kinderschoenen ontwassen.
Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochië en in de overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen, of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken.
Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk gespeeld.
Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van den consul en moest hier zijne komst afwachten.
Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd, ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat.
Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala!
De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden allen naar het midden der zaal.
Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken waaraan hij deze populariteit te danken had.
—Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien.
Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp ze op de tafel.
—Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers, zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen!
De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala!
—Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens beheerscher der wereld?
De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De Romein!
—En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome.
Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome.
—Hercules! riep een.
—Of Bacchus! schreeuwde een ander.
—Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte.
—Noem hem dan! riepen allen.
—Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij, die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd.
—Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en daarop lachten allen en klapten in de handen.
—In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?—zoowel in den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst.
Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs.
Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen, slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ... een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den heiligen Tiber!
Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even.
—De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem.
Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik waarom gij naar Antiochië zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te verbeteren. Hier, Cecilius!
—Present! riep een stem achter hem.—Hier ben ik.
—Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u!
Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom!
Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk.
—Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk.
De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan.
—Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala, om ... een denarie.
Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt gij?
De knaap trok zich snel terug.
—Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen?
De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te schrijven.
—Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel.
—Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad; en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe vraag!
—Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien?
—De duumvir?
—Neen, zijn zoon.
—Ik wist niet dat hij een zoon had.
—Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan op Castor, dan Arrius op u.
—Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen, zijn gelaat!
—Wat een dwaasheid, zeide een ander geërgerd. Messala is een Romein, Arrius een Jood.
—Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of Momus leende zijne moeder het verkeerde masker.
Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam tusschenbeide.
—De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet.
—Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon, dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en de hoornlooze stieren van Sarmatië, alsof het wilgetakken waren. De duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord. In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen.
Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo, Caius, hoort ge dat?
Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet waard uw vriend te zijn.
—Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen bijten?
—Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in gedachtenis te doen blijven?
—Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let maar op.
Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus?
—Als een Jood.
—Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is één. Hij heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van een Jood,—drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al naar dat verlangd wordt—vier. Drusus, help mijn vriend verder. Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone taal der Atheners vloeiend uitdrukken?
—Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in zou kunnen optreden.
—Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van?
—Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius niet.
—Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde. Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon van Arrius. Vertel mij daar wat van.
—Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius, de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en nam hem den volgenden dag tot zoon aan.
—Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij?
—Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei. Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een Jood was.
—Een Jood! herhaalde Messala.
—En een galeislaaf.
—Hoe dat, Drusus, een galeislaaf?
—Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting aan, de ander het kostuum van een roeier.
Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde hij op peinzenden toon.
Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef. Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem, laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter?
Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij. Spreekt, Romeinen.
Een luid gejuich was het antwoord.
Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde.
—Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is.
Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier!
En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd, zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan, maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne hand.
—Zet hem op de tafel, beval de voorzitter.
Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen.
—Ondersteun hem, Drusus!
Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind.
Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus, grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het Park van Daphne.
Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel van Silenus, de denarie is voor mij!
Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren,... het drinkgelag nam een aanvang.