← Table of contents
Ben-Hur

EEN ZWARE STRIJD.

Reading edition

Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken. De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.

Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven; list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!

Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.

Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken.

Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers.

Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan. Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal. Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis om—ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien. Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen, hij strekte zich uit en viel weldra in slaap.

Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde. Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza!

Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en begon te weenen.

—Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij ons de stad uit.

—Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij behooren tot de dooden!

—Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder troostend.

't Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven.

Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het eigendom des keizers.

Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten hemel en kermde overluid.

—Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken!

—Ach, kind, hij is dood!

—Wie, moeder?

—Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij ons nooit kunnen helpen!

—Wat moeten wij doen, moeder?

—Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen, zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of—!

—Laat ons sterven, moeder, liever sterven!

—Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin. Kom!

Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met zich voerend.

Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange, stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd.

—Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te slapen, een man.

Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan.

—Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is.

Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht, bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig, keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts, toen ging zij ijlings naar Tirza terug.

—Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen, even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden!

Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen, bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de stoep. Tirza viel op hare knieën en wilde die hand kussen, maar de moeder trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein! Onrein!

De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche was.

Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon, mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het, werd van haar geëischt. Bittere, bittere gedachte!

Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen.

Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah, waar is ...

Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken. Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog één langen blik, een laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten zelf niet wat.

Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een mand met eetwaren bij zich.

Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte opening.

Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen.

De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te zien,—zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne zouden gedaan hebben, maar niet durfden.

Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde: Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk?

Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid.

—Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij? Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis?

Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein!

Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij waren.

—Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan.

Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar de dooden! riep men haar na.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings