TE ANTIOCHIË.
Reading edition
Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen.
—De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus. Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochië. Die bergen verderop zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten.
—Waar is het meer? vraagde een van de reizigers.
—Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in verbinding.—Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op. Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts één, en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiërs hebben een spreekwijze, die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel.
—Raadt gij mij dus er niet heen te gaan?
—Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen, baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad, dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen. Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den grooten bouwkundige.
Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger.
—Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300 jaren van zijn bestaan hebben het één gemaakt met de rots, waarop het staat.
Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen kon.
—De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de Hebreër. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting.
Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen.
—Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen, niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar gezien te hebben.
Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden ingehaald, de reis was beëindigd.
Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den eerwaardigen Hebreër op.
—Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg?
De man boog toestemmend.
—Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet?
—Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam.
—Waar kan ik hem vinden?
De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter.
—Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend.
De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na.
—Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman van Antiochië een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats, altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult het gemakkelijk vinden.
—Ik dank u.
—De vrede onzer vaderen zij met u.
—En met u.
Zoo scheidden zij.
Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen.
—Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een militaire betrekking vervulde.
Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden, verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers, daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching aan.
Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd, en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij plotseling van gedachte.
—Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers. Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar Seleucia voert.
De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde. Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden.