DE HERAUT.
Reading edition
De samenkomst in de herberg te Bethanië had dienzelfden avond plaats. Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog vóór het einde van den winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt. Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen, inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.
Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides, die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand bezorgde en overal wachten had uitgezet.
Voor de Galileërs had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar zelfs de Talmud leerde: De Galileër bemint de eer, de Jood het geld.
Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland. Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort, met name den zanger van het hooglied en Hosea.
Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw, moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist—en hij wees hen op de profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochië op de komst des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.
De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen waar hij zijnen troon wil opgericht zien—wij zijn gereed om hem op zijnen troon te handhaven.
De Galileërs kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een anderen naam had hij hun niet opgegeven.
Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:
Jeruzalem IV Nisan.
Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste dagen van het Paaschfeest.
Malluch.
Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden, zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen en heeft zijne komst aangekondigd.
Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met groote blijdschap.
—Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts. Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken, zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.
Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.
De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;—tegen middernacht hadden zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.