← Table of contents
Ben-Hur

EEN VERRASSING.

Reading edition

Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron, moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.

Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids, die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.

—Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.

—Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.

—Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.

Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk. Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?

Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord had; ook den Ethiopiër herkende hij. Toen de kameel het paard had ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op zich gevestigd.

—De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.

—En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.

—Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs ontmoet heb, als den geëerden gast van Ilderim.

—En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier zoo alleen?

—Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een karavaan, op weg naar Alexandrië, ons op korten afstand volgt, en daar zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.

—De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.

—Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.

—Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen, wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.

Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam het gezelschap aan een wady. Hare bedding was zeer week door de regens van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbeziënboschje ter linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.

Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne dankbaarheid geuit.

Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopiër deed den kameel nederknielen, zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.

De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen eerbiedig en bad.

—Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopiër haar onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik zal u bedienen.

Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen, maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en bood hem dien aan.

—Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.

Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige, dan raadsman van een koning.

Nu voegde Balthasar zich bij hen.

—Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.

—Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman, hem een vollen beker aanbiedende.

Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.

DERDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings