← Table of contents
Ben-Hur

BIJ DE BRON.

Reading edition

Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochië om aan de wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik Ilderim de Edelmoedige.

De proclamatie verwekte veel beweging. Vóór den nacht zou zij zeker alom in Antiochië besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de vraag: Waar nu heen?

Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u vóór alle dingen waarzeggen.

—Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons naar de godin gaan.

—Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle, verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een versje, uwe toekomst op voorspeld vindt.

Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst te bekommeren.

—Wilt gij dan liever naar de tempels gaan?

—De tempels zijn Grieksch, niet waar?

—Zoo noemt men ze ten minste.

—De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet?

—Castalia.

—O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus.

Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen, ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk vervolgde hij zijnen weg.

Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was. Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods ontsnappen; maar Messala—nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help mij een gepaste wraak te vinden!

En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van aanzien en macht.

Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen maken.

Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond zich de beroemde bron Castalia.

Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een trechter te verdwijnen.

Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien, maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige dichtregelen, en al had die poëzie meestal weinig verdienste, de goede naam der bron leed er niet onder.

Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte.

Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel.

—Wat een mooi dier! zeide iemand.

—Zeker een vreemde vorst, zeide een ander.

—Neen, een koning.

—Een koning zou op een olifant zitten!

—Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of vorsten, 't zijn twee vrouwen!

Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd. Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten, zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende zilveren belletjes bij hem!

Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent?

De oogen van allen waren op hen gevestigd.

De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zóó bezig met het te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met weggeslagen sluier.

Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint. De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien.

Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopiër, die den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen.

Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide kreten van schrik stoven allen links en rechts.

—Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch en vloog op zij.

Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien.

Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar. Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De Ethiopiër wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken.

Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch wat gij doet! Terug! Terug!

De patriciër lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?!

De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande, terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein van harte uit.

Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen, keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge het hun goed bekomen!

De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden, pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens vrijmoedig tot het meisje.

—Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien?

Zij gaf geen antwoord.

—Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef het mij! De zon van Indië straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw, voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij vergiffenis schenkt.

Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst.

—Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur.

—O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van—mijzelven aan!

Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft mogen staan, geen misnoegen.

Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had, bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij. Hij is vol zegenwenschen, alle voor u!

Nu deed de Ethiopiër den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken.

Ben-Hur trad nader.

—Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts één God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten. Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn.

Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter nog geruimen tijd na.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings