← Table of contents
Ben-Hur

VIJF JAREN LATER.

Reading edition

Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in Antiochië, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het Westen, met name van Antiochië, een der oudste zetels van Assyrische macht en prachtlievendheid.

Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in. Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het dek, daaronder ook Ben-Hur.

De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden achter zich.

De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreër opgenomen van zeer fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek.

Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven, totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreër om inlichting vraagde.

—Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar.

—Heeft die dan zoovele schepen?

—Ja.

—Kent gij hem?

—Ik heb handel met hem gedreven.

De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling.

—Hij woont in Antiochië, vervolgde de Hebreër. Daar hij schatrijk is heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur.

Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te kloppen.

—Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw, in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij bijkantoren. Dat in Antiochië werd beheerd door een zekeren Simonides, die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israëliet was. De vorst verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en sedert is hij verdwenen.

De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een gouden pleister.

De passagiers lachten.

—Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van hen.

—Zoo zegt men, antwoordde de Hebreër. Ik deel u het verhaal mede zooals het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochië de agent van den vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen naar Indië, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug.

—Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf?

—Nog niet volle tien jaren.

—Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn.

—Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten bezittingen kon toeëigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee, huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn. Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel.

—Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach.

—Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreër. Anderen koesterden dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen en op de pijnbank gelegd.

Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde.

—Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp.

—Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders.

—Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van. Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven, door Tiberius zelf onderteekend.

—Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der omstanders.

—Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreër, de opmerking latende voor wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen als: Onze reis is voorspoedig geweest.

Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreër alleen vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman?

—Ben-Hur; vorst van Jeruzalem.

—Wat is er geworden van zijne familie?

—De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben zij haar leven beëindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van Judea.

Juda wandelde naar de voorplecht, zóó in gedachten verzonken, dat hij nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn leven rustte een schaduw.

Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings