← Table of contents
Ben-Hur

ONGEDULD.

Reading edition

Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van volkomen herstel zouden gekregen hebben.

Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds grooter.

In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de oude slotsom—dat slechts een oorlog van geheel Israël tegen Rome iets zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen, keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israël! Ik ben de van God beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de wereld aan uwe voeten!

Als de Nazarener zóó optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener het doen?

In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid, dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot één geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest was.

Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha, voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der Middellandsche zee, Indië, de noordelijke provinciën van Europa ... toen hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood was veel geschikter, dan toen de Galileërs hem bij het meer Genesareth met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne roepstem gehoor geven.

Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke zelfverloochening staatkundige plannen verborg.

Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea.

Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou gebruiken.

Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren. Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond vóór het feest en het volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten, wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het vóór de verwoesting was.

ZESDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings