← Table of contents
Ben-Hur

DE ROMEINSCHE GALEI.

Reading edition

De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij?

—Tweehonderd tweeënvijftig roeiers en tien om in te vallen.

—Dat geeft een aflossing van....

—Vierentachtig.

—Hoe dikwijls?

—Om de twee uur.

De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door.

Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij?

—Tweeëndertig.

—Welke zeeën hebt gij voornamelijk bevaren?

—Tusschen Rome en het oosten.

—Uitnemend.

De tribuun zag zijn order nogmaals in.

—Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust van Calabrië, totdat gij Melite links hebt, dan—kent gij de sterren, die in de Jonische zee den boventoon hebben?

—Ja zeker.

—Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u.

Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen, die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust, voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte, zette hij zich dadelijk aan den arbeid.

Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de groote kajuit, en bestudeerde de manschappen.

De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen: eetkamer, slaapkamer, exercitieveld.

Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform, waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed, een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten het ameublement uit.

In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen. Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het dek en de borstwering boven hun hoofd.

In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn; maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig waar, vervloeit.

O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart—en dat danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten, Libyërs, Scythen, Galliërs, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden, Joden, Ethiopiërs, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander.

Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch. Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos, terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel verstompt en gewoon aan lijden en ontbering.

Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school.

Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer 60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied.

Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun werkelijk belang in hem ging stellen.

Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten waar hij vandaan komt.

De toeleg gelukte—de roeier keek om en zag den tribuun aan.

—Een Jood! Nog een knaap.

De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ... daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk. Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering ten top—hij ontmoette een vriendelijk glimlachje.

Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn rookwolken achter zich latende.

Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht zijn oog N°. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is.

DERDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings