HET PROGRAMMA.
Reading edition
Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij. De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde, bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook.
Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan niet eens den raad van Gratus afwachten.
Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid tot een overhaast vertrek.
Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de vermakelijkheden.
Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij zelf gezegd.
—Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur.
—Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud. Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud, gelijkelijk op de galerijen gedragen worden.
—Op de galerijen, ja—maar niet op de tribune tegenover de Porta Pompae.
—Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij winnen,—Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,—hoe zullen die heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal, om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven.
—Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw vriend nog van avond op en stel zooveel sestertiën tot zijne beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden, Ilderims vierspan tegen dat van Messala.
Malluch dacht even na.
—Dat zal de aandacht van allen op u vestigen.
—Dat is juist wat ik verlang.
—Ik begrijp het, jawel!
—Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij.
—Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter.
Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertiën. Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten, desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden.
—Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen.
—Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet ontsnappen.
Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide, dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe.
—Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te zitten.
Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing.
—Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur.
Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend, zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertiën en een lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de vierspannen.
I. Een vierspan van Lysippus den Corinthiër—twee schimmels, een vos en een bles. Verleden jaar te Alexandrië en te Corinthe den prijs behaald. Menner: Lysippus. Kleur: geel.
II. Een vierspan van Messala den Romein—twee witte, twee zwarte. Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud.
III. Een vierspan van Cleanthes den Athener—drie schimmels, een vos. Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes. Kleur: groen.
IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner—twee zwarte, een schimmel, een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart.
V. Een vierspan van Admetus den Sidoniër—alle schimmels. Driemaal prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw.
IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn—alle vier vossen, eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit.
Menner: Ben-Hur, een Jood!
Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius?
Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan!