← Table of contents
Ben-Hur

DE KAMPVECHTER.

Reading edition

Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de herberg,—ontevreden met de geheele wereld.

Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de vrienden der familie volstrekt niet vreesden.

Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam.

Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur.

De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch! Zij—, moeder en Tirza—zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang?

Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op.

—Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend!

—Waar wilt gij zoeken? vraagde deze.

—Er is maar ééne plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan.

Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek, maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te bewaren.

—Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach, zij zijn zeker dood; weggegaan—de wildernis in, en daar omgekomen. Moeder dood—Tirza dood—ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang, o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan?

Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in, en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne gesprekken. Eén gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.

Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en schitterende oogen.

—Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileërs. De rabbijnen en Oudsten gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten wij ons bij hen aan.

In een oogwenk had hij de Galileërs rondom zich.

Naar Pilatus? Waarvoor?

—Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.

—Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te nemen, als hij durft!

—Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak voort!

Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den wijngaard.

—Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.

Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een zoon van Juda. Mag ik met u gaan?

—Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.

—Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.

Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg uit. Kom mee!

Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal worden? vraagde bij koeltjes.

—Ja.

—Met wie?

—Met de wacht.

—Legioenen?

—Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?

—Welke wapenen hebt gij?

Niemand antwoordde.

—Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.

De Galileërs staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit gehoord hadden.

—Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik ben gereed. Gijlieden ook?

—Ja, laat ons gaan.

De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne. Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis. Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere, luidruchtige menigte buiten wachtte.

Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner getal er uit kwam.

—Wat is er aan de hand? vraagde een Galileër aan een man, die naar buiten kwam.

—Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen. Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij hen gehoord heeft. Zij wachten nog.

—Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen—dat men hier niet alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.

Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht, die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.

Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan naar buiten!

Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israël wordt hier niet geteld, riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons, alsof wij Romeinsche honden waren.

—Zal hij niet buiten komen, denkt gij?

—Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?

—Wat zullen de rabbijnen doen?

—Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen luistert.

—Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel? vraagde een der Galileërs.

—Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?

Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten! Kom buiten! klonk het onophoudelijk.

Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot geweld zijn toevlucht te nemen.

Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.

Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit, die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord geven.

Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt? vraagde hij een der zijnen.

—Neen.

—Ik zal u optillen.

Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den grond.

—Wat ziet ge?

—Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als Joden gekleed.

—Wie zijn het?

—Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan zij een rabbi neer,—een oud man! Zij sparen niemand.

Ben-Hur zette hem weer op den grond.

—Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars afrekenen.

—Ja, ja! riepen zij eenstemmig.

—Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van dienst kunnen zijn. Komt!

Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.

—Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop voorbijgaan!

Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde, ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste de voorplaats bereikt was.

—Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.

Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.

Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen werden met de Galileërs, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij op de vlucht. De Galileërs zouden hen tot aan de portiek hebben willen vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.

—Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl wij nog kunnen.

Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp. Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke gedachte.

De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!

De Galileërs juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.

De wacht aan de buitenzijde liet de Galileërs ongemoeid door. Toen zij een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileërs: Broeders, gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van avond bij mij in de herberg te Bethanië. Ik heb u een voorstel te doen in het belang van het geheele volk van Israël.

—Wie zijt gij? vraagden zij.

Een zoon van Juda. Zult gij komen?

—Ja, wij zullen komen.

Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.

Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning der Galileërs onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich zou doen hooren.

Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder de Galileërs, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des Konings, die te komen stond.

Met welk gevolg zullen wij weldra zien.

BOEK VII.

EERSTE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings