AMRAHS TROUW.
Reading edition
Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote belangstelling zal gadeslaan.
De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde, evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad verdreven melaatschen.
Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was, maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieën en staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama genoemd.
Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een kleinigheid de grootste kruiken te vullen.
Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij antwoordde: Nog niet,—lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen vol werk had.
Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij zien met welk doel zij daar kwam.
Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom een werkman, die hun een verhaal deed.
Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers.
Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden! Zij had zijne moeder gevonden!
Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken, totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij doen!
Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood.
De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen. Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen.
Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen.
Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen. Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en zweeg.
Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten.
Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten, daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt, ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij. Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar vast.
Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden, die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen.
De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron, waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren; maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen riepen luid: Onrein! Onrein!
—Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der melaatschen niet.
Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond hield het rumoer aan de bron op.
—Hoe dwaas, zeide één lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven!
—En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze tenminste aan de poort bescheiden.
Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had, met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier rampzaligen maakte haar ziek.
—Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger nooit gezien; ik zal maar teruggaan.
Zij keerde zich om en ging.
—Amrah! riep een der beide melaatschen.
—Wie roept mij? vraagde Amrah bevend.
—Amrah!
—Wie zijt gij? vraagde zij.
—Wij zijn, die gij zoekt.
Amrah viel op hare knieën.
—O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en geprezen, dat ik u heb mogen vinden!
De trouwe ziel kroop op de knieën naar haar toe.
—Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein!
Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch?
—Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven?
Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u meegebracht.
—Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons doen.
De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen, gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen, zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op.
—Wie zijn dat? vraagde eene vrouw.
Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest.
Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen terug.
—Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld.
—Kan ik nog iets voor u doen?
De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen, en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet.
Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij ons.
—Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet dat gij hem liefhebt, niet waar?
—Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel.
—Welnu, geef mij daar een bewijs van.
—Al wat gij wilt.
—Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt. Anders niet.
—Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken!
—Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister, Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en 's avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons. Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem.
—Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft!
—Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah?
Amrah snikte.
—Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel!
Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in een onderaardschen kerker.