GENEZEN.
Reading edition
Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich naar Bethfagé spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen, dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen vóór ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de twee groepen hier op dit punt samentroffen.
—Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.
Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener riepen?
—Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.
—Dat alleen?
—Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.
—En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.
—Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag weggaan.
Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man, die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.
—Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich terstond bij haar.
Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste hemelen!
De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over, zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten varen.
—Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de moeder.
Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog, en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond, zonk van zwakte en angst ineen.
—Melaatschen! Melaatschen!
—Steenig ze!
—Sla ze dood! die van God vervloekten!
Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou, en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden glimlach.
—Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons reinigen. Erbarm u over ons!
—Gelooft gij, dat ik dat doen kan?
—Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij zijt de Messias!
—Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.
Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, één oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de Zone Davids!
Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.
Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd het wonder in de melaatschen gewrocht.
Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd. Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de verduisterde oogen straalden met den ouden glans—gereinigd waren zij van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest herleven, nameloos geluk doortrilde haar.
Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving, en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder, om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.
Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding toe, Galileërs, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee paarden.
—Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.
Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde, als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het gelaat in de handen verborgen.
—Wat! zeide hij, staat Amrah daar?—en liep regelrecht op haar toe. Amrah! wat doet gij hier?
Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieën, verblind door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.
—O, meester, hoe goed is God!
Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.
De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen die vrouw en zijne moeder? Zóó had zij er uitgezien op dien morgen, toen de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.
En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen voor de toekomst weggevallen.
Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg mij toch of ik goed zie!
—Ja, ja, spreek maar tot haar!
Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet: Moeder, beste moeder, hier ben ik!
In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd, en omhelsden elkander innig.
Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem, die ons dit geluk bereidt.
Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.
Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?
—Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een plicht te vervullen.
Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.