DE GEVANGENEN.
Reading edition
Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochië verliet om den Sheik in de woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering heeft intusschen plaats gevonden—groot, voor zoover het de geschiedenis geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus.
Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had.
Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap, omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja of neen, moest nog uit Rome komen.
Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten, die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en met Romeinsche adelaren.
Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard.
De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus. Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit, om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden.
Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande, kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond, wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Eén geval van dien aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem.
De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een door de Macedoniërs gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit, verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen, barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te waardeeren en te gebruiken.
Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging!
Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer opvatten.
Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont.
Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber.
Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan, daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan.
Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt.
—Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er?
—Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik gevonden heb.
—Alweder een vergissing, Gesius?
—Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang zijn.
—Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga voort.
—'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels, genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.—Ik nam ze aan, en Gratus vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen, stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen.
Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.—Ik gaf hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel. Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend. Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius, dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,—en hij legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,—mag nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven? vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid besmet, begrijpt gij?—En daarmee liet hij mij gaan.
Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde platte grond.
De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond.
—Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel nommer V.
—Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met melaatschheid besmet, zeidet gij.
—Mag ik u een vraag doen, commandant?
—Ja.
—Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was?
—Zeker.
—Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen. Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik mij voorstel dat hij is.
Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes cellen, die hij den commandant ter hand stelde.
—'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen.
Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius vervolgde: Hoor mij verder, heer.
—Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer.
—Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden.
De commandant ging weer zitten.
—Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen in cel vijf?
—Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind en stom.
—Welnu, commandant, dat was niet waar.
—Niet?
—Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste. Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren door roest verteerd. In de cel vond ik slechts één man, oud, blind, zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.
—Gij denkt dus....
—Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts één man gevangen heeft gezeten.
De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij wel waar gij Gratus van beschuldigt?
Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.
—Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie personen?
—Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en werd vóór mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op eens terug, viel op de knieën voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op. Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.
Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte heerschte in het vertrek.
—Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was, vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord. Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U! Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en het antwoord luidde: Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.
Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen wil te vernemen.
De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.
—Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties water en brood aan de vrouwen.
—Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij zullen die vrouwen in vrijheid stellen.
Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.
—Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen, want dat zal morgen gewijzigd worden.