← Table of contents
Ben-Hur

NAAR DEN KRUISHEUVEL.

Reading edition

Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien.

Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten.

—Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats!

—Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons. Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht.

Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij zeggen kon.

—Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus. Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij antwoordden....

—Wie antwoordde?

—De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.

—Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn voor een Israëliet, dan zijn stamgenooten! En als—o, als hij werkelijk de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag niet gebeuren,—ten strijde, broeders, ten strijde!

Hij klapte in de handen.

—De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd is gekomen om voor Israël te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom aanstonds.

Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg.

—Waarheen? vraagde de hoofdman.

—De legioenen bijeenroepen.

—Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend.

—Waarom helaas?

—Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na.

—Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in.

—Hem dooden.

—Toch niet den Nazarener?

—Gij hebt het gezegd.

Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?

Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?—Neen, zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen?

Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de getrouwheid der Galileërs. Hun afval maakte inderdaad aan alles een einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk, de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was tegen Gods raadsbesluiten?

—Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon.

Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de been te zijn.

Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea, al de stammen Israëls, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in één woord: de Joden van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten dage de kinderen Israëls kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers.

Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriërs, Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging tegenwoordig scheen te zullen zijn.

In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden in de veroordeeling des Nazareners.

Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward gedruisch van stemmen.

—Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden.

De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen. Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde hen.

—Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats genoeg.

De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil is mij goed. Hij zit in den draagstoel.

Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur herhaalde zijn voorstel.

—Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar.

—Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen.

—O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk een vreeselijke dag is dit voor de wereld.

Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht.

—Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.

De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!

Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig: Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!

Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele onverschilligheid rechts noch links ziende.

Toen kwam de Nazarener.

Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken. Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen. Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen, bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der terechtstelling.

Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op, totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te wachten.

Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!

Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.

—Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling opwakend.

—Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.

—Wat! Zijn zij u afgevallen?

—Op deze twee na.

—Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.

Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak. Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen—nu werd haar voorgoed de bodem ingedrukt.

Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.

—Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileërs.

—Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.

Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.

—Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.

—Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd. Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israël. Kon ik maar opstaan en hem navolgen!

Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van Jeruzalem aan.

Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie zijn dat?

Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en vriendelijk uiterlijk.

Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.

Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit het gezicht verdwenen waren.

—Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.

Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling: de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende, armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth, de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij had de Galileërs beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar! Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israël te wapen vliegen en de kamp om Israëls vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep, de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?

Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje Galileërs. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.

—Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.

Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen, en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid sterft met hem.

Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.

—Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.

Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israël bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda. Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij ons op den kruisheuvel allen rondom u.

Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door God geregeld zijn—iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem, hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen zijn wil en een hoogere macht.

—Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.

Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.

TIENDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings