IX.
Reading edition · Edition 2
Tegen het midden van Juli kwam de dorpsoudste van het goed zijner zuster, dat ongeveer twintig werst van Pekrowskaja lag, naar Lewin met een bericht omtrent den hooioogst van dit jaar. De daar gelegen weiden waren het meest rentegevend gedeelte der bezitting en waren voor een derde van het gewas aan de boeren verpacht. Nu kwam de dorpsoudste om te berichten, dat men uit vrees voor regen het hooi al opgetast en verdeeld had en dat voor het heerschap als zijn aandeel elf oppers waren afgezonderd. Uit de onnauwkeurige opgaaf op Lewins vraag, hoeveel hooi de grootste weide had opgeleverd, en uit de voorbarigheid der boeren, die zonder tijdige kennisgeving den oogst reeds gedeeld hadden, leidde Lewin af, dat het daarbij wellicht niet recht was toegegaan, en daarom besloot hij, zelf er heen te rijden om de zaak te onderzoeken.
Tegen den middag kwam hij aan. Hij stalde zijn paard bij zijn goeden vriend, den boer Parmenitsch, die met de minne van zijn broeder was getrouwd. Toen zocht hij den oude op zijn hoeve op, wenschende van hem iets van den hooioogst te vernemen. De anders praatzieke oude ontving Lewin vriendelijk, maar beantwoordde zijn vragen over het hooi ontwijkend en terughoudend. Dit bevestigde Lewins verdenking nog meer. Hij begaf zich derhalve naar de weiden en nam de oppers in oogenschouw. Elke opper kon onmogelijk vijftig voer bevatten, en om nu de boeren te ontmaskeren, liet Lewin een opper opladen en in de schuur rijden. Uit dezen opper kwamen maar twee en dertig voer. In weerwil van de verzekering van den dorpsoudste, dat alles op godvruchtige en eerlijke wijze was verdeeld en dat het hooi in de oppers moest zijn ingekrompen, verklaarde Lewin nu beslist, te meer daar het hooi zonder zijn voorkennis was verdeeld, dat hij zulke oppers niet voor vijftig voer aannam. Na langen strijd werd besloten, dat de boeren de elf oppers voor hun deel zouden nemen, terwijl het aandeel voor het heerschap opnieuw afgezonderd zou worden. Deze onderhandeling en de verdeeling van het hooi duurden tot over den namiddag. Nu liet Lewin het verder opzicht aan zijn klerk over en klom zelf op een hooiwagen om de drukke bezigheid van het volk op de weiden aan te zien.
Het laatste voer was geladen en zij reden er mede den weg op. De vrouwen gingen, met de harken op den schouder, achter den wagen; de heldere kleuren harer doeken staken in het oog en haar vroolijke stemmen klonken luidruchtig. Een ruwe, ongeoefende, maar bizonder zuivere en krachtige vrouwenstem hief een lied aan, zong tot aan het refrein en toen vielen tegelijk een half honderd verschillende grove en fijne, zwakke en sterke stemmen in, en het scheen Lewin toe, alsof ook de hoop hooi, waarop hij lag, de aarde en de hemel, alles zich bewoog en wankelde onder den schal van dit wild en grenzenloos lustig gezang. Het koor kwam nader en het kwam Lewin voor, als naderde hem onophoudelijk eene met vroolijken lust geladen donderende wolk; de wolk bedekte hem, omringde hem en begon zich toen weer te verwijderen. Lewin zag hen na en luisterde, en toen het volk uit zijn gezicht en gehoor was verdwenen, beving hem een sterk gevoel van droefheid over zijn eenzaamheid, zijn physische werkeloosheid en zijn verachting van de wereld.
Lewin bewonderde dikwijls het leven dezer menschen, hij benijdde hen en nu kwam voor de eerste maal de gedachte bij hem tot volle klaarheid, dat het toch slechts van hem zelf afhing, het zelfzuchtige leven, dat hij tot hiertoe geleid had, met een reiner, werkzamer leven in gemeenschap met anderen te verwisselen.
De menigte had zich reeds verwijderd. Het waren lieden, die in de nabijheid woonden, en zij waren naar huis gereden. Maar die van verre waren gekomen, hadden zich voor het avondeten en de nachtrust op de weide verzameld. Lewin lag, door hen niet bemerkt, op een hoop hooi en sloeg hen gade, luisterde en dacht na. De lieden, die op de weide wilden overnachten, sliepen gedurende dezen korten zomernacht bijna in het geheel niet. Eerst hoorde men hun vroolijk gebabbel onder het avondeten en toen weer zingen en lachen. De geheele lange en zware arbeidsdag had bij hen geen spoor achtergelaten, dan slechts vroolijkheid. Eerst kort voor het morgenrood werd het stil; men vernam nog slechts het nachtgezang der in het moeras kwakende kikvorschen, het geschreeuw van een vogel ergens boven in de hoogte op een tak, het snuiven der paarden op de weide in den morgennevel en het stampen hunner aaneengekoppelde pooten op den vochtigen grond. Lewin rees op van zijn hooi, zag omhoog naar de sterren en bespeurde, dat de nacht ten einde was.
"Ja, maar hoe moet ik het aanvangen?" zeide hij tot zich zelf en trachtte over alles, waarover hij in dezen beslissenden nacht had nagedacht, tot klaarheid te komen. Zijn gedachten hadden zich vooral naar drie richtingen bewogen; de eerste was, dat hij zich van zijn tot hiertoe geleid leven moest losmaken, van deze doellooze bezigheid, deze nuttelooze verstandsbeschaving en dan vooral van zijn droomerijen van een familieleven, zooals hij het zich tot hiertoe voorgesteld had. Deze losmaking van zijn oud leven was hem licht en verschafte hem zelfs een genot. Anderzijds richtten zich zijn gedachten en voorstellingen op het nieuwe leven, dat hij nu zich voorgenomen had te leiden. Hij was overtuigd, dat hij in de eenvoudigheid, onschuld, natuurlijkheid en zekerheid van hetzelve die rust en zelfvoldoening zou vinden, welker gemis hij nu zoo ziekelijk gevoelde. Een derde richting zijner gedachten betrof de vraag, hoe den overgang van het oude tot het nieuwe leven te bewerkstelligen. En in dit opzicht was hem nog niets helder geworden. "Een vrouw—dat is het eerste en belangrijkste—den arbeid en de noodzakelijkheid om te werken…. Moet ik Pokrowskaja opgeven? Nog wat land koopen? Mij in een dorpsgemeenschap laten opnemen? Een boerenmeisje trouwen? Hoe dat nu te maken?"
Hij vond geen antwoord.
"Overigens heb ik den geheelen nacht niet geslapen en kan mij derhalve van alles geen volle rekenschap geven. Het zal mij later wel helder worden. Maar mijn vroegere droomerijen van familieleven zijn onzin. Dat alles is veel eenvoudiger en beter…."
Hij ging van de weide over den landweg naar het dorp. Een zachte wind was opgekomen; het werd nevelachtig en de lucht betrok.
Lewin was wat koud geworden en drukte de armen tegen het lichaam, terwijl hij snel voortging met den blik op den grond gevestigd. "Wat is dat? Daar rijdt iemand!" dacht hij, toen hij schelgeluid hoorde, en zag op. Nauwelijks veertig schreden van hem verwijderd kwam hem op den breeden landweg een met vier paarden bespannen en met koffers en doozen beladen voertuig tegen rijden. Zonder er aan te denken, wie daar in kon zitten, keek Lewin in het rijtuig. In een hoek zat een oude dame te slapen en voor het venster een jong meisje, dat blijkbaar pas ontwaakt was. Zij zag, terwijl haar gelaat in het morgenlicht duidelijk zichtbaar was en zij in gedachten scheen verzonken, over hem heen naar de opgaande zon. Op het oogenblik, dat die verschijning al haast weer voorbij was, richtte zij eindelijk haar nu wakkere oogen op hem. Zij had hem herkend en een glans van blijde verrassing ging over haar gelaat. Hij kon zich nu niet meer vergissen. Er waren maar twee zulke oogen op de wereld. Slechts één wezen was er, dat voor hem het kort begrip van alle leven en geluk was. Dat was zij, dat was Kitty. Hij begreep dadelijk, dat zij juist van het spoor was gekomen en naar Klekotok reed. En plotseling was alles, wat Lewin in dezen slapeloozen nacht gevoeld en gedacht had, verdwenen. Slechts daar, in dien wegsnellenden wagen bevond zich de oplossing van alle raadselen des levens, die hem kwelden! Zij zag hem niet meer aan. Het geluid van het rijtuig was niet meer te hooren, het geluid der schellen nog slechts even. Hondengeblaf duidde aan, dat het rijtuig door het dorp reed en voor hem bleven slechts de ledige, doode velden terug en het dorp voor hem; hij zelf was verlaten en voor allen een vreemdeling.
Hij zag weer naar den hemel, die, ofschoon de helft daarvan met kleine, witte wolkjes was bedekt, meer en meer blauw en helder werd, maar even ver en ongenaakbaar was als vroeger. "Neen, alles was dwaasheid! Slechts in gemeenschap met haar kan ik mij denken! Ik heb niet opgehouden en zal niet ophouden haar te beminnen."