← Table of contents
Anna Karenina

XXI.

Reading edition · Edition 2

"Gij hebt hem dus ontmoet?" vroeg zij, nadat zij aan de tafel was gaan zitten, die door de lamp werd beschenen; dat is er een straf voor, dat je te laat zijt gekomen."

"Ja, maar hoe is dat gekomen? Hij moest toch bij de zitting zijn?"

"Hij is daar ook geweest, maar al weer teruggekeerd om nu ergens anders heen te rijden. Maar spreek daar niet van. Waar zijt gij geweest? Altijd bij uw prins?"

Zij kende alle bizonderheden van zijn leven. Hij wilde haar verhalen, dat hij den geheelen nacht onrustig geweest was en daarom den tijd had verslapen, maar toen hij haar opgewonden, gelukkig gelaat zag, schaamde hij zich daarover. En hij zeide, dat hij had moeten uitgaan om de afreis van den prins te melden.

"Maar nu is toch ook alles ten einde? Hij is dus vertrokken?"

"Goddank, ja, nu is alles ten einde. Gij kunt niet denken, hoe onuitstaanbaar het mij was."

"Waarom dan? Dat is toch het gewone leven van u jonge mannen allen!" antwoordde zij met gefronste wenkbrauwen en begon, zonder Wronsky aan te zien, met zekere opmerkzaamheid uit een haakwerk, dat op tafel lag, de haakpen los te maken.

"Ik heb dat leven al lang opgegeven," zeide hij, verwonderd over de verandering in haar gelaat. "En ik beken," voegde hij er lachend bij, "in deze week heb ik mijn leven als in een spiegel gezien, en dat was voor mij volstrekt niet vleiend."

Zij hield het haakwerk in de hand en beschouwde hem met een bizonder fonkelenden, bijna vijandigen blik.

"Heden morgen heeft Lisa mij bezocht.—Zij ontziet zich nog niet mij te bezoeken in weerwil van Lydia Iwanowna," voegde zij er bij—"en die heeft mij van je Atheensche avondfeest verteld. Wat zijn dat voor afschuwelijkheden?"

"Ik moet je zeggen…." Maar zij viel hem in de rede: "Was dat dezelfde Thérèse, die je vroeger gekend hebt?"

"Ik wilde je zeggen…."

"Hoe afschuwelijk zijt gij mannen! Kun je u dan in het geheel niet voorstellen, dat een vrouw dat niet kan vergeten? Vooral een vrouw niet, die je tegenwoordig leven niet kan kennen. Wat weet ik daarvan? Wat heb ik vroeger er van geweten? Slechts dat, wat gij er mij van verteld hebt. En waardoor weet ik, dat ge mij steeds de volle waarheid hebt gezegd…?"

"Anna, ge beleedigt mij! Gelooft ge mij dan niet? Heb ik u niet gezegd, dat ik geen gedachte heb gekoesterd, die ik u niet medegedeeld heb?"

"Ja, ja!" zeide zij, met den wensch, haar opwellingen van jaloerschheid tegen te gaan. "Maar als je slechts wist, hoe zwaar het mij is! Ik geloof, ik geloof je…. Wat wilde je ook zeggen?"

Maar hij kon zich dat niet meer herinneren. Deze aanvallen van ijverzucht kwamen in den laatsten tijd meermalen over haar, en hij bespeurde dit met schrik; hoezeer hij zich dit ook wilde ontveinzen, koelden zij toch zijn liefde af, al wist hij ook, dat ze slechts uit liefde voor hem ontstonden. Hoe dikwijls had hij vroeger tot zich zelf gezegd, welk een geluk het moest zijn haar liefde te bezitten; en nu beminde zij hem, zooals slechts een vrouw kan beminnen, voor wie de liefde het geheele leven is, en toch was hij nu verder van alle geluk verwijderd, dan destijds, toen hij haar naar Moskou nareisde. Destijds hield hij zich voor ongelukkig, maar het geluk wenkte hem in de toekomst, thans bemerkte hij, dat het beste geluk reeds achter hem lag. Degene, die hij in den eersten tijd had leeren kennen, was zij niet meer; lichamelijk en geestelijk was zij veranderd en niet in haar voordeel. Welk een booze, onbehagelijke trek, die haar geheel ontsierde, lag zooeven, toen zij van die tooneelspeelster sprak, op haar gelaat. Hij zag haar aan, zooals iemand een door hem geknakte en spoedig verwelkte bloem aanziet; de vroegere schoonheid, om welke hij haar geplukt had, was niet weder te vinden. Maar in weerwil dat hij, zooals hem toescheen, nu geen liefde meer voor haar gevoelde, was hij zich toch bewust, dat hun verbintenis een onbreekbare was.

"Nu? Wat wildet gij mij ook van den prins vertellen? Ik heb nu dezen demon verbannen," voegde zij er bij. Demon noemde zij haar ijverzucht. "Waarom viel het je zoo zwaar met hem?"

"O, volstrekt ondragelijk," antwoordde Wronsky. "Bij nadere kennismaking won hij vooral niet. Men zou hem kunnen vergelijken bij een schoon, goed gemest stuk vee, dat op de tentoonstelling den eersten prijs bekomt. En dan is zijn beschaving ook van een bizonderen aard; men ziet, dat hij slechts deshalve beschaafd is om het recht te hebben alle beschaving, met uitzondering van dierlijk genot, te verachten."

"Maar gij allen bemint die dierlijke genietingen," merkte zij aan en weder zag hij dien donkeren blik, die hem vermeed.

"Gij neemt hem dus in bescherming?" vroeg hij lachend.

"Ik verdedig hem volstrekt niet; mij is hij geheel onverschillig; maar ik bedoel, als je zelfs niet van deze genietingen hieldt, had ge u kunnen laten verontschuldigen. Maar het verschafte u een genoegen Thérèse in Eva's kostuum te zien."

"Daar is hij toch weer, de demon," zeide Wronsky, terwijl hij haar op tafel liggende hand greep en ze kuste.

"Ja, maar ik kan niet anders. Je vermoedt niet, wat ik heb doorgestaan, terwijl ik op je wachtte. Ik ben niet jaloersch; ik geloof in u, als ge bij mij zijt, maar als je ergens anders uw voor mij onbegrijpelijk leven leidt…."

Zij keerde zich van hem af, bevrijdde eindelijk de haakpen uit het werk, haastig werd het eene vakje aan het andere gelegd en snel en zenuwachtig bewoog zich de fijne rechterhand in de geborduurde manchette. "Nu, alzoo ontmoette je Alexei Alexandrowitsch," deed zich plotseling op eenigszins onnatuurlijken toon haar stem hooren.

"Wij stieten in de deur op elkander."

"En hij heeft je zóó gegroet…?" Zij zette een lang gezicht, legde de handen ineen, sloot half de oogen, en Wronsky zag plotseling in haar schoon gelaat dezelfde uitdrukking, waarmede Karenin hem gegroet had. Hij lachte en ook zij lachte vroolijk, van ganscher harte.

"Ik begrijp hem niet," zeide Wronsky. "Als hij nog na uw verklaring geheel met je gebroken of mij tot een duel uitgedaagd had—maar hoe hij dezen toestand kan verdragen, begrijp ik niet. Men kan het hem toch aanzien, dat hij er onder lijdt…."

"Hij?" zeide zij lachend—"hij is zeer tevreden."

"Alles kon toch goed zijn.—Waarom kwellen wij allen ons?"

"Slechts hij niet. Ken ik dan deze geveinsdheid niet, waarvan hij geheel doortrokken is? Kan een man, die slechts eenig gevoel bezit, leven met een vrouw, zooals ik voor hem ben? Kan men met haar spreken op welwillenden toon? Neen, dat is geen man, geen mensch, maar slechts een pop. Buiten mij weet dat niemand. O, was ik in zijn plaats, ik had al lang zulk een vrouw gedood, in stukken gescheurd in plaats van haar nog ma chère Anna te noemen en op vertrouwelijken toon tot haar te spreken. Dat is geen mensch, maar een politieke machine. Hij begrijpt het niet, dat ik uw vrouw ben en dat hij daarnaast een vreemdeling, een geheel overtollige is…. Maar spreken wij er niet meer van."

"Dat is niet recht van u, melieve," zeide Wronsky, om haar neder te zetten. "Vertel mij liever, wat u deert; wat is dat voor een ongesteldheid? Wat zegt de dokter? Maar het is zeker in 't geheel geen ziekte, als ik juist vermoed? Het is slechts in uw toestand gelegen? Wanneer zal het dan zijn?"

De spotachtige schittering in haar oogen verdween en werd vervangen door een anderen, stillen, weemoedigen glimlach ontstaan door de kennis van datgene, wat hem nog onbekend was.

"Spoedig, spoedig! Gij zegt, dat onze toestand pijnlijk is en spoedig moet ophouden. Als gij wist, hoe zwaar het mij is, wat ik geven wilde om u vrij en openlijk te kunnen beminnen! Dan zou ik mij zelf niet kwellen en ook u niet door mijn ijverzucht…. En dat zal spoedig zijn, maar niet zoo, als gij vermoedt…."

En de gedachte aan datgene, wat komen zoude, stemde haar zoo treurig, dat haar de tranen in de oogen drongen en zij niet verder vermocht te spreken.

"Ik wilde het u in het geheel niet zeggen, maar ge dwingt er mij toe. Spoedig, zeer spoedig zal zich alles oplossen en wij allen zullen tot rust komen en ons niet meer kwellen."

"Ik begrijp je niet…." zeide hij.

"Je vraagt: wanneer? Spoedig! Maar ik zal het niet overleven … val mij niet in de rede…." En zij haastte zich voort te gaan: "Ik weet het zeker. Ik zal sterven en verheug mij er over, dat ik sterven zal en u van mij bevrijden…."

De tranen vloeiden haar uit de oogen. Hij boog zich over haar hand en kuste ze om zijn ontroering te verbergen, die naar zijn overtuiging ongegrond was, maar die hij toch niet kon overmeesteren.

"Ja, zoo is het, en zoo is het ook het beste," zeide zij en drukte krachtig zijn hand; "dat is het eenige wat ons over blijft."

Wronsky hernam zijn kalmte en hief het hoofd op.

"Welk een onzin! Wat dwaze dingen praat je toch!"

"Neen, het is waar!"

"Wat is waar?"

"Dat ik sterf. Ik heb het in den droom gezien."

"In den droom?" herhaalde hij, en plotseling viel hem zijn droom van dien boer in, en andermaal voer een huivering door zijn leden.

"Ja, in den droom." zeide zij. "Het is reeds tamelijk lang geleden. Ik zag, dat ik haastig door mijn slaapkamer liep om iets te zoeken of iets te weten te komen: Je weet, hoe het in den droom gaat," sprak zij en als op nieuw ontsteld sperde zij haar oogen wijd open. "En daar in de slaapkamer stond iemand in een hoek…."

"Och, welk een onzin! Hoe kan men nu gelooven…."

Maar zij liet zich niet in de rede vallen; haar verhaal scheen haar te gewichtig:

"En toen keerde zich die iemand om en ik zag, dat het een boer was met een stoppeligen baard, klein en afschrikwekkend! Ik wilde wegloopen, maar daar bukte hij zich over een zak en woelde met de handen daarin om…."

Zij wees, hoe hij met de handen had rondgewoeld; ontzetting sprak uit haar gelaat; Wronsky dacht aan zijn eigen droom en voelde zich door dezelfde ontsteltenis aangegrepen.

"… Zoo grabbelde hij en zeide daarbij in het Fransch: Snel, snel! en, weet je, zoo kort achtereen: Il faut battre le fer, le broyer, le pétrir…. Van angst wilde ik wakker worden, ik ontwaakte ook, maar ontwaakte slechts in den droom, en ik vroeg mij zelf: wat kan dat beteekenen? En Kornei zeide tot mij: Bij de geboorte, bij de geboorte, moedertje, zult gij sterven. En toen eerst ontwaakte ik werkelijk…."

"Welk een onzin! welk een onzin!" zeide Wronsky, maar hij besefte zelf, dat de overtuiging aan zijn woorden ontbrak.

"Maar wij willen daarvan niet meer spreken. Schel eens, ik zal de thee bestellen. Ja, wacht maar, nu zal het niet lang meer duren voor ik…."

Zij brak plotseling af. De ontsteltenis en opgewondenheid weken voor een stille, ernstige, in zich zelf gekeerde opmerkzaamheid. Hij begreep de beteekenis dezer gevoelswisseling niet. Zij voelde in zich de beweging eens nieuwen levens.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings