← Table of contents
Anna Karenina

XXI.

Reading edition · Edition 2

"Daar ben ik met Dolly, ma tante," zeide Anna terwijl zij met Darja Alexandrowna naar buiten ging op het groote steenen terras, waar vorstin Warwara in de schaduw aan een borduurraam zat en aan het overtrek voor een stoel voor graaf Alexei Kyrillowitsch werkte. "Zij zegt, dat zij voor den middag niets wenscht te gebruiken, maar laat toch het ontbijt maar hier brengen, ik wil Alexei opzoeken en medebrengen."

Vorstin Warwara was zich ongetwijfeld van de ongepastheid van haar verblijf bij Wronsky even pijnlijk bewust als Dolly, want reeds met het eerste woord begon zij een verklaring te geven, waarom zij Anna hierheen begeleid had; niet omdat zij er behagen in schepte, met haar in weelde te leven, maar omdat zij altijd veel van Anna gehouden en zich altijd gaarne voor haar opgeofferd had, en dat deed zij ook nu om haar toestand te verlichten en haar in dezen moeielijken tijd van overgang behulpzaam te zijn.

"Haar man zal in de scheiding bewilligen en dan zal ik mij weer in mijn eenzaamheid terugtrekken. Maar nu kan ik haar van dienst zijn en zal, hoe zwaar het mij ook vallen moge, mijn plicht vervullen. En gij, hoe bekoorlijk zijt ge geworden. Je hebt den hemel verdiend, dat je hier gekomen zijt. Zij leven als de beste echtgenooten met elkaar. God zal hen richten, niet wij. Buitendien, c'est un intérieur si joli, si comme il faut. Tout a fait à l'anglaise. On se réunit le matin au breakfast et puis on se sépare. Tot het diner doet ieder, wat hij wil. Om zeven uur wordt opgedragen. Maar zij doen ook veel goeds. Heeft hij u nog niet van zijn ziekenhuis verteld? Ce sera admirable. Alles is uit Parijs…."

Dit gesprek werd afgebroken door Anna, die de heeren in de biljartkamer had aangetroffen en nu met hen op het terras terugkeerde. Vóór den middag was er nog veel tijd en het weer was schoon. Daarom werden allerlei voorslagen gedaan, hoe men de nog overblijvende twee uren het best zou kunnen doorbrengen. Men had ook in Wosdwijenskoje allerhande tijdverdrijf, maar van geheel anderen aard als in Lewins Pokrowskoje.

"Une partie de lawntennis," sloeg Wesslowsky met zijn innemend lachje voor, "en wij spelen weer samen, Anna Arkadiewna."

"Neen, daartoe is het te warm. Zou het niet beter zijn een wandeling in den tuin of een tochtje met het bootje te doen om Darja Alexandrowna de oevers te toonen," sloeg Wronsky voor.

"Mijn is alles goed," zeide Swijaschsky.

"Ik geloof, dat Dolly het liefst een kleine wandeling zou doen en dan misschien nog in de boot?" zeide Anna.

Hiertoe werd dan ook besloten. Wesslowsky en Tuschkewitsch gingen naar het badhuis om de boot gereed te maken en de overigen op te wachten, terwijl Anna met Swijaschsky en Dolly met Wronsky paarsgewijs in het park gingen wandelen. Dolly gevoelde zich in haar nieuwe omgeving eenigszins bedeesd en angstig. Niet alleen, dat zij Anna's gedrag op abstracte wijze en in theorie verontschuldigde, maar zij billijkte en prees het zelfs.

Zoo gaat het trouwens vlekkeloos reine en deugdzame vrouwen dikwijls. Door de eentoonigheid van haar eigen zedelijken levenswandel vermoeid, verontschuldigen zij niet alleen van verre de misdadige liefde van anderen, maar benijden er hen zelfs om. Daarbij kwam, dat zij Anna hartelijk liefhad. Alleen hier, waar zij zich in de werkelijkheid te midden van deze haar vreemde menschen met hun voor haar nieuwen, zoogenaamd goeden toon bevond, gevoelde zij zich beklemd.

Overigens, al veroordeelde zij ook Anna's handelwijze niet, toch was haar de aanblik van den man, die er de aanleiding toe geweest was, onaangenaam. Ook was Wronsky haar nooit zeer bevallen, zij hield hem voor zeer trotsch en kon aan hem volstrekt niets vinden, waarop hij trotsch kon zijn, tenzij op zijn rijkdom.

Toch imponeerde hij haar hier in zijn huis meer dan anders en van dit gevoel kon zij zich niet losmaken. Zij had tegenover hem hetzelfde gevoel als tegenover het kamermeisje om haar uitgestukte nachtjapon. Het was geen schaamte, maar een gevoel van onbehagelijkheid, van gegeneerdheid.

Dolly gevoelde zich dus beklemd en zocht naar een onderwerp van gesprek. Hoewel zij meende, dat bij zijn trots de lof van zijn huis en tuin hem onaangenaam zou kunnen zijn, zeide zij hem hierover toch iets vleiends, daar zij niets anders wist te zeggen.

"Ja, het is een heel net gebouw van ouden, goeden smaak," antwoordde hij.

"Bizonder is mij het terrein vóór de inrijpoort bevallen. Is dat vroeger ook zoo geweest?"

"O neen," zeide hij, terwijl zijn gelaat van genoegen verhelderde: "Dit terrein hadt gij in het voorjaar eens moeten zien."

En nu begon hij, eerst terughoudend, maar spoedig meer ongedwongen, haar op verscheiden bizonderheden van huis en tuin opmerkzaam te maken. Men zag, dat het hem, nadat hij zooveel zorg aan de verfraaiing van zijn landgoed besteed had, nu eenigszins een behoefte was bij zijn nieuwe bekenden daarmede te pronken, en Dolly's lof deed zijn hart goed.

"Als ge het ziekenhuis wenscht te zien en niet reeds te vermoeid zijt, dan is het niet ver van hier. Kom," zeide hij en zag haar in 't gelaat om zich te overtuigen, dat het haar niet verveelde. "Gaat ge ook mee, Anna," wendde hij zich tot deze.

"Wij gaan ook mee, niet waar?" antwoordde zij met een blik op Swijaschsky. "Mais il ne faut pas laisser le pauvre Wesslowsky et Tuschkewitsch se morfondre la dans le bateau. Wij moeten het hen laten weten. Ja, dat is een gedenkteeken, dat hij zich hier opricht," wendde zij zich tot Dolly.

"Ja, een kostbaar werkje," bevestigde Swijaschsky, maar om niet den schijn van vleierij tegenover Wronsky op zich te laden, voegde hij er dadelijk een afkeurend gezegde bij: "Het verwondert mij slechts, graaf, dat gij, die zooveel voor de gezondheid van het volk doet, zoo onverschillig ten opzichte van de scholen zijt."

"C'est devenu tellement commun, les écoles," antwoordde Wronsky. "Versta mij wel, dit is bij mij niet de leidende gedachte geweest, maar ik heb mij laten meevoeren."

De dames staken haar parasols op en sloegen een zijlaan in, die hen na eenige kronkelingen uit den tuin bracht. Daar zag Dolly op een hoogte een schoon, groot, bijna reeds voltooid gebouw, dat in de helle zon schitterend uitkwam. Daarnaast werd een ander nog door den steiger omgeven huis gebouwd, waaraan verscheiden arbeiders bezig waren.

"Het werk gaat goed vooruit," zeide Swijaschsky. "Toen ik den laatsten keer hier was, was er nog niets van het dak te zien."

"Tegen den herfst moet alles gereed zijn. Van binnen is reeds alles voltooid," zeide Anna.

"Wat wordt dit hier voor een gebouw?"

"De woning voor den dokter en de apotheek," antwoordde Wronsky en voerde de dames naar het binnenste gedeelte van het ziekenhuis.

Terwijl buiten nog aan de kroonlijsten gewerkt en de benedenste verdieping geverfd werd, was boven reeds alles ingericht. Nadat zij de breede trap van gegoten ijzer waren opgeklommen, betraden zij een groote, geheel voltooide kamer. De muren waren zoo fraai gestukadoord, alsof ze met marmer belegd waren, de reusachtige glasruiten had men reeds in de vensters gezet, slechts aan de ruiten van den ingelegden vloer waren de meubelmakers nog bezig met polijsten.

"Dit is de ontvangkamer," zeide Wronsky. "Hier komt nog een staande lessenaar, een tafel en een kast, verder niets."

Zij begaven zich op den corridor. Hier toonde hun Wronsky een ventilatie van de nieuwste vinding, marmeren badkuipen en bedden met eigenaardige springveeren matrassen; daarna bezichtigden zij de waschkamer, kachels van nieuwe constructie, schuifstoelen, die zonder geraas werden gereden en waarop zaken en personen getransporteerd zouden worden. Swijaschsky waardeerde dit een en ander als een man, die van alles het noodige begrip heeft; Dolly verwonderde zich eenvoudig over hetgeen zij tot nu toe nog niet gezien had en, daar zij wenschte het goed te begrijpen, vroeg zij naar alles, wat Wronsky groot genoegen deed.

"Ik geloof, dat dit tot nu toe in Rusland het eenige, volkomen goed ingerichte ziekenhuis zijn zal," merkte Swijaschsky aan.

"Maar gij zult geen afdeeling voor verlossingen hebben," wierp Dolly in het midden. "En dat is toch op het land zoo noodzakelijk. Ik heb reeds dikwijls …"

Maar Wronsky viel haar ondanks zijn beleefdheid in de rede:

"Daarvoor moet het ook geen inrichting worden, maar uitsluitend een ziekenhuis; het is voor alle ziekten, behalve voor besmettelijke bestemd. Zie eens hier, als ik u verzoeken mag …" en hij schoof een ziekenstoel voor Dolly, ging er in zitten en toonde er haar de constructie van. "Ziet ge, men kan nog niet loopen, men is nog te zwak of er hapert iets aan de voeten, maar men heeft lucht noodig en dan gaat men zoo uitrijden."

Darja Alexandrowna stelde in alles belang, alles beviel haar, het meest echter Wronsky met zijn eenvoudige, natuurlijke geestdrift.

"Ja, hij is toch een net, goed mensch!" dacht zij soms en begreep, hoe Anna verliefd op hem had kunnen worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings