XII.
Reading edition · Edition 2
Toen zij het groote moeras naderden, dacht Lewin er onwillekeurig over na, hoe zich van Wesslowsky te ontdoen om alleen te kunnen jagen. Ook Stipan Arkadiewitsch scheen dezelfden wensch te koesteren; Lewin zag op zijn gezicht die uitdrukking van bezorgdheid, die een waar jager steeds vóór de jacht heeft.
"Hoe zullen wij dan gaan? O, dat is een schoon moeras! Ik zie ook reeds een havik, en waar haviken zijn, daar is ook wild."
"Ziet ge, heeren," zei Lewin met eenigszins donker gelaat; "ziet gij daar dat rietgras!" Hij wees naar een donkere vlek op een reusachtig groote, zich ver op den rechter oever van de rivier uitstrekkende weide, die voor de helft reeds gemaaid was. "Daar begint het moeras, recht voor ons, waar het zoo groen wordt. Van daar loopt het naar den rechter kant verder, zooals ik nu de paarden laat gaan. Daar ziet ge eenige verhevenheden van den grond, daar zijn vele groote snippen, rondom dit rietgras heen tot aan gindsch esschenboschje en tot aan de molen Dingsda. Dat is de beste plaats. Eens heb ik daar zeventien watersnippen geschoten. Wij moeten nu in verschillende richtingen uit elkander gaan en elkaar bij den molen weer ontmoeten."
"Wie gaat rechts en wie links?" vroeg Stipan Arkadiewitsch. "Rechts is het breeder, daar moet gij beiden heengaan, dan ga ik links," zeide hij op den onschuldigsten toon ter wereld.
"Goed! Wij zullen hem alles wegschieten!" stemde Wesslowsky toe. "Laat ons gaan."
Zoo moest ook Lewin er mee instemmen, en zij scheidden; Lewin en Wesslowsky met Laska gingen rechts, Stipan Arkadiewitsch met Kraak ging links om het moeras heen. Nauwelijks waren zij aan het moeras gekomen, toen de beide honden begonnen te zoeken. Lewin kende dit behoedzame en onzekere zoeken van Laska; hij kende ook deze plaats en wachte op een zwerm watersnippen.
"Wesslowsky, blijf bij me," riep hij met halfluide stem zijn achter hem wadenden metgezel toe.
"Ik zal je niet storen. Denk niet aan mij"
"Poef, paf!" klonk het in Lewins oor. Wesslowsky had in een zwerm eenden geschoten, die boven het moeras rondvloog. Nauwlijks vond Lewin nog tijd om rond te zien, toen een watersnip zich liet hooren, een tweede, een derde,—acht watersnippen verhieven zich in de lucht.
Stipan Arkadiewitsch schoot er eene van, juist toen zij haar zigzagbeweging wilde beginnen. Toen mikte hij zonder zich te overijlen naar een tweede, die naar het riet vloog, en zij viel onder het schot.
Lewin was minder gelukkig; hij schoot op te grooten afstand en trof niet.
Stipan raapte zijn watersnip op en met een stralenden blik op Lewin zeide hij: "Zoo, nu gaan wij uit elkander."
Met Lewin placht het altijd zoo te gaan, dat, wanneer zijn eerste schoten mislukten, hij opgewonden werd, zich ergerde en ten gevolge daarvan den geheelen dag slecht schoot. Zoo ging het hem ook heden. Er waren zeer veel watersnippen voorhanden. Ieder oogenblik vlogen er eenige op en Lewin had alles weer goed kunnen maken; maar hoe meer hij schoot, des te meer geneerde hij zich voor Wesslowsky, die zonder maat en doel er lustig op los schoot, niets doodde en daarover toch niet verlegen werd. Lewin overijlde zich, hij mat den afstand niet en kwam eindelijk zoo ver, dat hij schoot zonder zelfs de hoop te koesteren nog iets te treffen. Ook Laska scheen dit te bemerken; zij zocht trager en keek onzeker en verwijtend naar de jagers om. Dezen waren voortdurend in kruitdamp gehuld, maar in hun groote weitasschen bevonden zich nog maar drie kleine, lichte watersnippen. Intusschen knalden van de andere zijde niet talrijke, maar zooals het Lewin toescheen, welgeslaagde schoten en bijna na ieder schot hoorde men Stipan Arkadiewitsch' stem: "Kraak! apporte!" Dat wond Lewin nog meer op. De watersnippen vlogen door de lucht, hun neersmakken op den grond en het knallen in de lucht van alle kanten hield niet op; de opgejaagde snippen zetten zich dicht voor de jagers neer. Te voren zweefden slechts twee haviken boven hot moeras en nu waren er tien.
Nadat Lewin en Wesslowsky meer dan de helft van het moeras waren omgegaan, kwamen zij aan een weide, die in lange stukken aan de boeren verpacht was; de helft dezer stukken was reeds gemaaid.
"Hei! jagers!" riep hun een der boeren toe, die op een uitgespannen telega zat: "sterkt u eerst met een ontbijt en een slok!"
Lewin keek om.
"Komt toch! Het zal u niet schaden!" riep een andere vroolijk gestemde boer met een rood gezicht en toonde daarbij zijn witte tanden en een groene, in de zon blinkende flesch.
"Qu'est-ce qu'ils disent?" vroeg Wesslowsky.
"Wij moeten een borrel met hen drinken. Zij zullen deze weide wel gepacht hebben. Een borrel zou nu lang niet slecht smaken!" antwoordde Lewin niet zonder slimheid, want hij hoopte, dat Wesslowsky den trek naar brandewijn niet zou kunnnen weerstaan en naar de boeren gaan zou.
"Waarom willen zij ons vrijhouden?"
"Daar hebben ze plezier in. Ga maar naar hen toe. Het is wel eens een aardige grap."
"Allons! c'est curieux!"
"Ja, ga er maar heen. Den weg naar den molen kunt ge niet missen."
Met genoegen bemerkte Lewin, dat Wesslowsky met voorovergebogen lichaam en de vermoeide voeten traag uit het moeras trekkend naar de boeren op de droge weide ging.
"Kom jij toch ook mee!" riep een der boeren Lewin toe: "wees niet bezorgd; er is nog stuk koek over!"
Lewin had gaarne deze uitnoodiging aangenomen, want hij voelde zich ook reeds vermoeid en het was telkens moeielijk de inzinkende voeten uit het moeras te trekken. Hij was een oogenblik in twijfel, maar hij zag, dat de hond stond en dus volgde hij dezen. Voor hem vloog een watersnip op; hij schoot en doodde ze. Maar Laska stond nog altijd; plotseling verhief zich voor haar een tweede watersnip. Lewin schoot. Maar hij had heden een ongelukkigen dag. Hij schoot mis en ging nu heen om de eerste te zoeken. Maar hij vond ook deze niet. Dus ook zonder Wesslowsky, wien hij van zijn ongelukkig slagen de schuld had gegeven, werd de zaak niet beter. Ook hier nog waren zeer veel watersnippen, maar Lewin schoot er herhaaldelijk voorbij.
"Neen, ik moet kalm worden!" zeide hij bij zich zelf. Hij ging het moeras uit, ging op een verhevenheid der weide zitten, trok de laarzen uit en schudde het water er uit, dronk zelf water, bevochtigde daarmee de beide heete loopen van zijn geweer en wiesch zich handen en gelaat.
Plotseling sprong Kraak van achter een essenboschje te voorschijn en berook Laska met de gebaren eens overwinnaars. Achter Kraak, in de schaduw der esschen, werd de statige verschijning van Stipan Arkadiewitsch zichtbaar. Hij kwam hen reeds hier tegen, zeer rood en verhit, met ontbloote borst, moeielijk gaande en met een vergenoegd lachje.
"Nu? veel geschoten?" vroeg hij.
"En gij?" was Lewins wedervraag. Hij behoefde niet te vragen: hij zag de boordevolle weitasch. Hij had veertien stuks geschoten.
"Het gaat goed! Een mooie plaats! Wesslowsky is u zeker wat in den weg geweest? Twee jagers met één hond, dat heeft geen eigenschap!" zeide Stipan, zijn zege daardoor verkleinend.