← Table of contents
Anna Karenina

VI.

Reading edition · Edition 2

Stipan Arkadiewitsch Oblonsky was naar Petersburg afgereisd en vertoefde daar nu om de plichten te vervuilen, die voor alle staatsbeambten van zelf spreken, maar voor anderen onbegrijpelijk zijn, en zonder welker vervulling het onmogelijk is ambtenaar te wezen, namelijk zich bij het ministerie in herinnering te houden. Terwijl hij tot vervulling van dezen plicht, waarvoor hij al het geld uit het huis had medegenomen, zijn tijd lustig bij de wedrennen en in do zomercafé's doorbracht, verhuisde Dolly met de kinderen naar hun landgoed om de uitgaven zooveel mogelijk te beperken. Hun landgoed Klekotok, dat zij als huwelijksgift had medegekregen, hetzelfde welks houtgewas in het voorjaar was verkocht, lag ongeveer vijftig werst van Lewins Pokrowskaja verwijderd.

Het groote heerenhuis van Klekotok was reeds jaren geleden afgebrand en de oude graat had daarvoor het bij de boerderij behoorend gebouw laten vergrooten en tot woonhuis inrichten. Voor twintig jaren had het Dolly doelmatig en ruim toegeschenen, maar nu was het oud en vervallen. Toen Stipan in het voorjaar daarheen was gegaan om het bosch te verkoopen, had Dolly hem gedrongen het huis eens op te nemen en de noodige herstellingen te laten doen. Hij was, zooals alle schuldige mannen, gaarne bereid zijn vrouw alle gemakken te verschaffen en had het huis onderzocht en maatregelen voor alle naar zijn oordeel noodige verbeteringen genomen. Volgens zijn meening was het noodig geweest nieuwe meubels te laten komen, gordijnen op te hangen, den tuin te laten in orde brengen, een kleine brug over den vijver te bouwen en bloemen te planten. Maar andere, zeer noodige dingen, welker gemis later Dolly soms wanhopig maakte, had hij voorbij gezien. Hoezeer Stipan zich moeite gaf een zorgzaam vader en echtgenoot te zijn, kon hij zich toch ook gedurig weer niet herinneren, dat hij vrouw en kinderen had. Hij had de eigenschappen van een jonkman en deze regelden zijn doen en laten. Bij zijn terugkomst te Moskou had hij zijn vrouw met trots verzekerd, dat alles voor haar ontvangst gereed was, dat het huis op een pronkkastje zou gelijken en hij zelf kon haar nu aanraden naar buiten te verhuizen. Het vertrek zijner vrouw was hem in alle opzichten aangenaam. Het leven op het land zou voor de kinderen gezonder en ook veel goedkooper zijn, en hij zelf—vrijer. Darja Alexandrowna van haar zijde achtte ook het verblijf op het land voor de kinderen noodig, vooral voor het meisje, dat na het roodvonk nog steeds niet geheel was geworden zooals zij zijn moest, en dan ook om de eeuwige kleine uitgaven aan schoenmaker, kleermaker, slachter en vischkooper wat te beperken. Buitendien was haar de gedachte aan het land ook aangenaam, omdat zij hoopte Kitty, die in den zomer van de badplaats zou terugkeeren, daar bij zich te zien. Kitty schreef haar, dat niets zoo aanlokkelijk voor haar was, als den zomer met Dolly en de kinderen te Klekotok, dat voor haar zoo rijk aan herinneringen uit de jeugd was, door te brengen.

De eerste tijd van haar verblijf op het land was voor Dolly zeer zwaar. Van haar kindsheid af was haar de voorstelling bijgebleven, dat het land een toevluchtsoord voor alle stadsonaangenaamheden was en dat het leven daar wel niet druk en elegant, maar daarvoor ook goedkoop en ongedwongen was; men had daar alles zelf, alles was er dus goedkoop en het was er—dit was de hoofdzaak—voor de kinderen gezond. Maar nu, na haar aankomst, bevond zij, dat ook hier alles geheel anders was, dan zij het zich had voorgesteld.

Den dag na haar aankomst regende het sterk en in den nacht begon het op den corridor en in de kinderkamer erg te lekken, zoodat zij de bedden in het salon moest brengen. Ook ontbrak er een meid om voor het dienstpersoneel te koken. Van negen koeien in den stal waren er eenige, zooals de koemeid zeide, drachtig en stonden derhalve droog, de andere hadden pas gekalfd, weder andere waren oud—zoodat niet eens genoeg boter en melk voor de kinderen aanwezig was. Eieren waren er ook niet en kippen niet te koop. Slechts eenige oude, loodkleurige, magere hanen konden geslacht en gekookt worden. Ook aan vrouwelijke bediening ontbrak het; allen waren bij de aardappels bezig. Uitrijden kon men ook niet, want het eene paard was kolderig en sloeg den dissel in stukken. Aan baden was niet te denken, want de geheele oever der rivier was door het vee vertrapt en aan de zijde van den weg open en zichtbaar. Men kon niet eens gaan wandelen, want het vee kwam door de gebroken heining in den tuin en daarbij was een vreeselijke stier, die brulde en derhalve ook wel stooten zou. Kleerkasten waren er niet; die er bestonden kon men niet sluiten of sprongen, zoodra men ze voorbij ging, van zelf weer open. Kookpotten waren er niet te vinden, in de waschkeuken was geen ketel en in de mangelkamer geen strijktafel.

In plaats van de verwachte rust en ontspanning, vond Dolly eene volgens haar begrippen verschrikkelijke ellende en geraakte bijna in vertwijfeling. Zij spande al haar krachten in gevoelde echter de geheele hopeloosheid van haar toestand en moest zich geweld aandoen om de opwellende tranen te weerhouden. De opzichter, een voormalig wachtmeester, dien Stipan wegens zijn schoon en waardig voorkomen uit zijn vroegere betrekking als portier hierheen had verplaatst, trok zich Darja Alexandrowna's leed volstrekt niet aan; hij zeide slechts eerbiedig: "Bij dit afschuwelijk volk is alles mogelijk!" Hij zelf echter hielp haar in geen enkel opzicht. Haar toestand scheen haar derhalve hopeloos toe. Maar ook in het huis der Oblonsky's bevond zich een anders weinig in het oog vallende, maar in hoogen graad nuttige en gewichtige persoon, namelijk Maria Filimonawna. Zij stelde de barina gerust, verzekerde, dat alles terecht zou komen, en zonder zich te overijlen of op te winden, sloeg zij de handen aan het werk. Zij maakte kennis met de vrouw van den opzichter en zat reeds denzelfden dag met haar en den opzichter onder den acaciaboom en raadpleegde met haar onder een kop thee. Weldra vormde zich onder de acacia onder de leiding van Maria Filimonowna een club, die uit de vrouw des opzichters, den dorpsoudste en den landhuishoudkundige bestond, en deze club ruimde allengs alle bezwaren in het leven der barina uit den weg. Binnen een week was alles dan ook al geschikt. Het dak was hersteld, een kookvrouw werd in de peettante van den dorpsoudste gevonden, kippen werden gekocht, de koeien begonnen melk te geven, de tuin werd ingesloten, de kasten werden van haakjes voorzien en gingen niet meer van zelf open, een behoorlijke strijkplank lag in de mangelkamer op een stoelleuning in de commode en het rook er, zooals het behoorde, naar het strijken.

"Nu heeft u alles en u wilde reeds wanhopen," zeide Maria Filimonowna en wees op de strijkplank. Er wordt zelfs een uit stroo gevlochten badhuisje gebouwd. Lili liet men het eerst baden. En nu begon, ofschoon vooreerst bij gedeelten, haar verwachting van een, zoo ook al niet onbezorgd, dan toch behagelijk landleven zich te verwezenlijken. Met zes kinderen kon het voor Darja Alexandrowna niet zonder zorgen zijn. Nu was het eene ziek, dan moest men hetzelfde van een ander vreezen; vandaag scheelde het derde wat, morgen het vierde en het vijfde toonde een boozen aard en zoo verder. Zelden was er een korte, rustige periode. Maar al deze zorgen, al deze onrust waren het eenig mogelijke geluk voor Dolly. Had zij deze niet gehad, dan was zij alleen gebleven met de gedachte aan haar echtgenoot, die haar niet beminde. Maar hoe zwaar der moeder ook deze gestadige angst en bezorgdheid over haar kinderen viel, deze kinderen zelf vergoedden haar door allerlei kleine genoegens haar zorgen. Deze genoegens waren zoo onmerkbaar als het goudstof in het zand der rivier, en in de eerste oogenblikken zag zij niets als slechts den kommer, slechts het zand; maar er waren ook nog oogenblikken voor haar, dat zij niets zag dan slechts de genoegens, slechts het goud.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings