XXXIV.
Reading edition · Edition 2
Sedert Karenin van vorstin Betsy en Oblonsky had vernomen, dat men van hem verlangde, dat hij zijn vrouw met rust zou laten en haar niet meer met zijn tegenwoordigheid zou lastig vallen, zooals zij zelf wenschte, gevoelde hij zich zoo ongelukkig en verlaten, dat hij niet meer wist, hoe hij beslissen en wat hij doen zoude; hij gaf zich dus geheel over in de handen van hen, die zich met zooveel genoegen aan zijn belangen wijdden en gaf tot alles zijn toestemming.
Eerst toen Anna reeds het huis had verlaten en de Engelsche gouvernante hem vroeg, of zij alleen of met hem zou dineeren, werd hem zijn geheele toestand duidelijk en was hij daarover zeer ontsteld. Hij vermocht geen samenhang te vinden tusschen datgene, wat nog zoo even geweest was: zijn berusting, zijn liefde voor de zieke vrouw en voor het vreemd kind, en tusschen datgene wat nu bestond; was dit, dat hij nu verlaten, beschimpt, uitgelachen, als overtollig beschouwd, door ieder veracht was, was dit het loon voor dat andere?
Den eersten dag na het vertrek zijner vrouw nam hij ouder gewoonte de verzoekschriften aan, ontving den chef zijner kanselarij, ging naar de comitévergadering en ging des middags naar de eetzaal. Zonder zich rekenschap te geven, waarom hij het deed, spande hij in deze twee dagen alle krachten in om zich zoo kalm en gelijkmatig mogelijk voor te doen. Terwijl hij de vraag beantwoordde, hoe voortaan met alle voorwerpen en de kamers van Anna te doen, gaf hij zich het voorkomen van een man, dien het gebeurde niet onvoorbereid had getroffen; en bereikte zijn doel: Niemand zag aan hem een teeken van wanhoop.
Evenwel, op den derden dag, toen Karnej hem een rekening van een modemagazijn, die Anna vergeten had te betalen, overgaf, en daarbij meldde, dat de boekhouder zelf daar was, liet Alexei Alexandrowitsch hem binnen komen.
"Excuseer mij, excellentie, dat ik het waag u te storen. Maar als u beveelt, dat ik mij rechtstreeks tot haar excellentie zal wenden, gelief mij dan het adres op te geven."
Alexei Alexandrowitsch dacht er over na, zooals het den boekhouder toescheen, toen wendde hij zich af en ging aan de tafel zitten. Met het hoofd op de handen geleund, zat hij zoo een poos en deed een paar maal een poging om te spreken, maar vermocht het niet. Karnej ried de gewaarwordingen van zijn heer en verzocht den boekhouder een andermaal terug te komen. Zoo miste Karenin de kracht, de rol der kalmte en beradenheid tot het einde vol te houden. Hij liet het voor de deur wachtend rijtuig uitspannen, liet niemand meer bij zich toe en verscheen niet aan het diner.
Hij gevoelde zich niet meer in staat den aandrang van verachting en leedvermaak af te weren, waarvan hij ook duidelijke sporen op de gezichten van Karnej, van den boekhouder en van allen, die hij deze twee dagen ontmoet had, bemerkte. Hij besefte, dat deze minachting niet was ontstaan, omdat hij slecht was, maar omdat hem een onteerend, afschuwelijk ongeluk had getroffen; zij werden onmeedoogend tegen hem, omdat zijn hart was gebroken; de eenige uitkomst was zijn wond te verbergen en instinctief had hij dezer dagen getracht dat te doen. Maar hij gevoelde zich tegen dezen ongelijken strijd niet meer opgewassen.
Zijn verslagenheid werd nog des te grooter, omdat hij geheel alleen stond in zijn leed. Hij was als wees opgegroeid, als een van twee broeders. Zijn vader had hij niet gekend, zijn moeder stierf, toen hij tien jaar was. Het nagelaten vermogen was gering. Zijn oom, een hoog staatsbeambte en voormalig gunsteling des overleden keizers, liet hem opvoeden. Nadat hij het gymnasium en de hoogeschool met onderscheiding had doorloopen, maakte hij door den invloed van zijn oom snel carrière en gaf zich sedert geheel aan de bureaucratische eerzucht over. Noch op de school noch op de universiteit had hij vriendschappelijke betrekkingen aangeknoopt. Zijn broeder was voor hem zijn naaste vriend, maar deze bevond zich, in dienst van het ministerie van buitenlandsche zaken, steeds in het buitenland, waar hij kort na Alexei Alexandrowitsch's bruiloft gestorven was.
Gedurende den tijd, dat Karenin gouverneur eener provincie was, bracht een tante van Anna, een rijke en aanzienlijke dame dezer provincie, haar nicht met den gouverneur, die toen reeds niet jong meer was, te zamen en bracht hem tot zulk een verhouding tot haar, dat hij zich verklaren of de stad verlaten moest. Alexei Alexandrowitsch had destijds lang gewankeld. Er spraken evenveel gronden tegen als voor zulk een stap, als de tante wenschte. Maar deze gaf hem door goede vrienden te kennen, dat hij Anna gecompromitteerd had en dat zijn eer van hem eischte een aanzoek te doen. Hij deed dit en schonk zijn bruid en daarna zijn vrouw al het gevoel, waarvoor hij vatbaar was; deze neiging, die hij Anna toedroeg, vervulde zijn geheele hart en verdrong daaruit de laatste behoefte aan hartelijke betrekkingen met andere menschen. En zoo had hij in den geheelen kring zijner bekenden niemand, die met hem in nauwe betrekking stond.
Het meest was hij nog verbonden met zijn kanselarijchef en met zijn huisdokter Nichaël Wassilitsch; de kanselarijchef was een braaf, verstandig en hoogzedelijk mensch, hij was aan Karenin gehecht, maar een vijfjarige gemeenschappelijke dienstwerkzaamheid had voor alle hartelijke en intieme verklaringen tusschen hem een grens geplaatst.
Ook de dokter was hem persoonlijk genegen, maar zij waren beiden reeds lang tot de stilzwijgende erkentenis gekomen, dat zij beiden te zeer met bezigheden waren overladen om voor iets anders tijd over te hebben.
Aan zijn vriendinnen en zelfs aan de eerste onder haar, gravin Lydia Iwanowna, dacht Alexei Alexandrowitsch in het geheel niet. Alle vrouwen, juist omdat zij vrouwen waren, stieten hem af.