← Table of contents
Anna Karenina

XVI.

Reading edition · Edition 2

Betsy had Karenins zaal nog niet verlaten, toen Stipan Arkadiewitsch Oblonsky, die juist van Elissew kwam, waar versche oesters waren, haar in de deur ontmoette.

"Ah, vorstin, dat is wel een aangename ontmoeting!" zeide hij. "Ik kom van uw woning."

"Een korte ontmoeting, want ik wil juist wegrijden," antwoordde Betsy en trok haar handschoenen aan.

"Wacht met het aantrekken van uw handschoenen, vorstin, tot ik uw handje gekust heb. Ik ben, wat de invoering van verouderde modes betreft, voor niets meer dankbaar dan voor den handkus!" Hij kustte haar hand: "Wanneer zullen we elkander weerzien?"

"Ge zijt dien niet waard," antwoordde zij lachend.

"Pardon, ik ben dien zeer waard, want ik ben nu de ernstigste mensch van de wereld geworden. Niet slechts voor mijn eigen, ook voor anderer familiebelangen zorg ik," zeide hij met een ernstig gezicht.

"Ach, dat verheugt mij zeer," antwoordde Betsy, die dadelijk begreep, dat hij van Anna sprak. En met hem in de zaal terugkeerend, namen zij plaats in een hoek.—"Hij brengt haar nog om het leven," zeide zij fluisterend en veelbeteekenend. "Het is ondragelijk, ondragelijk …"

"Het verheugt mij bij u deze deelneming te vinden," zeide Stipan en schudde het hoofd met een ernstige, treurige uitdrukking: "In die zaak ligt ook de reden mijner aanwezigheid hier in Petersburg."

"De geheele stad spreekt er van," antwoordde zij. "Het is een ondragelijke toestand. Zij vergaat er onder. Hij begrijpt niet, dat zij een vrouw is, die met haar gevoelens geen scherts drijft. Slechts een van beide is mogelijk: zij ontvluchten, of hij moet zich van haar laten scheiden. Maar zoo gaat zij te gronde."

"Ja, ja, zoo is het!" zeide Oblonsky met een zwaren zucht. "Deswege ben ik ook gekomen, dat wil zeggen, eigenlijk niet deswege…. Men heeft mij tot kamerheer benoemd, en ik moest hiervoor mijn dank gaan betuigen. Maar bij deze gelegenheid hoop ik ook dit te arrangeeren."

"Nu, God moge u helpen!" wenschte Betsy.

Hij deed de vorstin uitgeleide tot in den gang en nadat hij haar den pols had gekust en haar zooveel dubbelzinnigen onzin had voorgebabbeld, dat zij niet wist, of zij daarvoor lachen of zich ergeren moest, ging hij naar zijn zuster. Hij vond haar badend in tranen. In weerwil van zijne uitgelaten stemming, viel hij toch dadelijk in den deelnemenden, ietwat poëtischen toon, die bij haar gemoedstoestand paste. Hij vroeg eerst, hoe het haar ging en hoe zij den morgen had doorgebracht.

"Zeer, zeer slecht; niet slechts den morgen, den geheelen dag en alle verloopen en toekomende dagen."

"Het schijnt mij toe, dat ge u al te veel aan uw droefheid overgeeft. Men moet het hoofd opheffen, de wereld beschouwen zooals zij is. Ik weet, het is zwaar, maar …"

"Ik heb wel eens gehoord, dat vrouwen haar mannen, die misdadig zijn, daarom nog te meer beminnen, maar ik haat hem om zijn deugden. Ik kan met hem niet leven. Begrijp eens! Zijn aanblik reeds werkt physisch op mij, ik geraak er door buiten mij zelf. Ik kan, ik kan niet met hem leven. Wat zal ik doen? Ik was te voren al ongelukkig en dacht, dat men niet ongelukkiger zijn kon, maar deze troostelooze toestand, waarin ik mij nu bevind, kon ik mij niet voorstellen. Kun je gelooven, dat ik, in weerwil dat ik weet, dat hij een goed, uitstekend man is en ik niet waard ben hem te dienen, hem evenwel haat? Ja, hem juist deswege, om zijn grootmoedigheid, haat? Er bluft mij niets meer over, dan…."

"De dood," wilde zij zeggen, maar Stipan liet haar niet uitspreken.

"Je bent ziek, opgewonden," zeide hij. "Geloof mij, je overdrijft vreeselijk. Wat is er dan zoo verschrikkelijk?" En Stipan lachte. Niemand anders in zijn plaats zou gewaagd hebben tegenover zulk een wanhoop te lachen; maar in zijn lach lag zooveel goedhartigheid, dat hij niet beleedigde, maar zelfs de smart lenigde en deed bedaren. Zijn zachte, vertroostende woorden en zijn opgeruimdheid werkten verzachtend als amandelolie. Ook Anna gevoelde dat.

"Neen Stiwa," zeide zij, ik ben verloren, neen, erger dan dat, nog niet verloren, want het einde is nog niet daar. Ik ben als een overspannen snaar, die springen moet, maar nog zoover niet is—en dat zal een verschrikkelijk einde nemen … ja, het zal ontzettend eindigen."

"Dat doet niets; men moet de snaar maar voorzichtig ontspannen. Er is geen enkele toestand, waaruit niet een uitweg is te vinden."

"Ik heb nagedacht en nagedacht, maar slechts een…."

Weder zag hij aan de droevig sombere uitdrukking van haar gelaat, dat naar haar inzien de eenige uitweg slechts de dood was, en hij liet haar weder niet uitspreken.

"Volstrekt niet," zeide hij. "Je kunt je eigen toestand niet zoo juist beoordeelen als ik. Veroorloof mij derhalve, dat ik oprecht mijn meening zeg." Weder lachte hij behoedzaam. "Ik wil met het begin aanvangen. Je hebt een man gehuwd, die twintig jaren ouder was. Je hebt hem zonder liefde gehuwd en wist niet wat liefde was. Dat was verkeerd, nemen wij aan…."

"Een verschrikkelijke dwaling," zeide Anna.

"Maar ik moet herhalen, het is een niet weg te nemen daadzaak. Dan hadt je het ongeluk, een ander dan je man te beminnen. Dat is een ongeluk, maar ook een beslist feit; en je man heeft dit erkend en heeft je vergeven."

Hij hield bij elken zin op, alsof hij haar tegenspraak verwachtte, maar zij antwoordde niets.

"Zoo is de zaak gelegen. Nu is de vraag: Kunt ge zoo met je man voortleven? Wensch je dat? Wenscht hij dat?"

"Ik weet niet, ik weet volstrekt niets!"

"Maar je hebt zelf gezegd, dat het je ondragelijk is!"

"Ik heb niets gezegd. Ik herroep dat. Ik weet en begrijp volstrekt niets."

"Ja, maar—permitteer…."

"Je kunt dat niet begrijpen. Ik gevoel, dat ik rechtstreeks naar een afgrond ga en er in zal storten, maar ik weet niet, hoe ik mij redden zal.—Ik kan het niet."

"'t Doet niets af! Wij zullen je opvangen. Ik begrijp je volkomen, ook begrijp ik, dat je het niet over je verkrijgen kunt, je geheimste wenschen uit te spreken."

"Ik wensch niets, volstrekt niets … als slechts, dat alles een einde neemt."

"Dat ziet en weet ook hij. En denk je, dat dit hem niet evenzeer neerdrukt als u? Jij kwelt je zelf en hij kwelt zich zelf! Wat moet daaruit worden? Daarentegen lost een scheiding de geheele vraag op," zoo sprak hij nu blozend de hoofdgedachte uit en zag haar met beteekenis aan.

Zij antwoordde niet en schudde slechts ontkennend het hoofd. Maar aan de uitdrukking van haar gelaat, waarvan weder de vroegere schoonheid afstraalde, bespeurde hij, dat zij het slechts daarom niet wenschte, wijl het haar een onmogelijk geluk toescheen.

"Ik heb met je beiden diep medelijden en ik zou overgelukkig zijn, als ik dat kon arrangeeren," zeide Stipan nu nog koener lachend. "Stil! zeg niets! Als het God maar behagen mocht, dat ik aan mijn gevoelens steeds de juiste uitdrukking kon geven. Ik ga naar hem toe."

Anna zag hem met nadenkende, glanzende oogen aan en antwoordde niets.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings