← Table of contents
Anna Karenina

IV.

Reading edition · Edition 2

Nog voor het sluiten van het badseisoen keerde vorst Tscherbatzky bij de zijnen terug. Van Karlsbad was hij nog naar Baden-Baden en Kissingen getrokken om daar eenige kennissen te begroeten, en weer, zooals hij zeide, volop Russischen geest in te ademen. De beschouwingen van den ouden vorst en van de vorstin omtrent het leven in het buitenland stonden geheel tegenover elkander. De vorstin prees en bewonderde alles en trachtte, in weerwil dat zij in het Russische leven was geworteld, in het buitenland op een West-Europeesche dame te gelijken, wat zij toch niet was. Zij was een Russische barina, en derhalve moest zij zich eenigszins geweld aandoen, wat haar dikwijls lastig viel. De vorst daarentegen vond alles in het buitenland afschuwelijk, hem was het Europeesche leven een gruwel; hij behield zijn Russische gewoonten en trachtte in het buitenland nog minder Europeesch te schijnen, dan hij in werkelijkheid was.

Hij kwam mager, met hangende wangen, maar in de beste luim terug. Deze verbeterde nog meer, toen hij zag, dat Kitty weer geheel hersteld was. Evenwel werd hij eenigszins verontrust door het bericht van Kitty's vriendschap met Warenka en madame Stahl en door de mededeeling der gravin over de omkeering, die in des meisjes gemoed had plaats gehad; dit wekte in zijn binnenste weer dat gevoel van ijverzucht op alles, wat zijn dochter buiten hem belang inboezemde; er beving hem eenige vrees, dat zijn dochter naar hooger sferen kon ontvlieden, waar zijn invloed haar niet meer kon bereiken. Maar deze bekommering versmolt in de zee van goedigheid en vroolijke luim, die steeds zijn hart vervulde en die nu door het Karlsbader water nog was vergroot.

Daags na zijn aankomst ging de vorst in zijn langen jas en met zijn Russische rimpels en hangende wangen, die door den stijven halsboord werden gesteund, met Kitty naar de bron. Het was een bizonder schoone morgen; de bevallige, vroolijke huizen met tuintjes er voor, de aanblik der dienstmeiden met roode wangen en roode armen, die vroolijk haar werk verrichtten, en de heldere zonneschijn stemden hem blijmoedig. Maar hoe meer hij de bron naderde, des te talrijker werden de zieken, die hij tegenkwam; hun voorkomen scheen hem nog beklagenswaardiger toe in deze omgeving. De glans en het licht van dezen Junimorgen, de tonen van het orkest en vooral de aanblik der gezonde dienstmeiden waren voor hem een droevig contrast met de uit alle hoeken van Europa hier saamgekomen en zich treurig voortsleepende lichamen. In weerwil van zijn zelfbewustzijn en een gevoel alsof hij weer jong was geworden, was het hem toch, toen hij aan den arm van zijn geliefd kind daarheen stapte, als moest hij zich geneeren om zijn krachtigen gang en sterke leden.

"Breng mij met uw nieuwe vrienden in kennis," zeide hij tot zijn dochter. "Ik heb dit afschuwelijk Soden bijna lief gekregen, omdat het u de gezondheid heeft weergegeven. Maar hoe treurig, hoe treurig is het hier? Wie is dat?"

Kitty noemde hem alle met haar bekende en onbekende personen, die zij ontmoetten. Aan den ingang van den tuin kwam de blinde mevrouw Berthe met haar geleidster hun tegen, en de vorst verheugde zich over de uitdrukking van teedere ontroering op het gelaat der oude Française, toen deze Kitty's stem herkende. Zij begon hem dadelijk met haar oneindige Gallische beminnenswaardigheid te overstroomen en hem te loven, dat hij zulk een prachtige dochter had, die zij een schat, een parel, een engel noemde.

"Nu, dan is zij de engel nummer twee," zeide de vorst lachend, "want volgens haar eigen verklaring is mademoiselle Warenka de engel nummer één."

In de galerij troffen zij Warenka aan, die hen met een rood taschje in de hand haastig te gemoet kwam.

"Papa is gekomen," zeide Kitty.

Warenka maakte een natuurlijke en eenvoudige beweging, half buiging half groet, en begon dadelijk vrij en eenvoudig, zooals zij met allen deed, met den vorst te spreken.

"O zeker ken ik u al, ik ken u zeer goed," zeide hij tot haar met een lachje, waaraan Kitty met blijdschap bemerkte, dat haar vriendin een goeden indruk op hem gemaakt had. "Waar gaat dat nu zoo haastig heen?"

"Mama is hier," antwoordde zij tot Kitty gekeerd; "zij heeft den geheelen nacht niet geslapen, en de dokter heeft haar aangeraden een rit te doen. Ik breng haar nu haar handwerkje."

"Dus dat is de engel nummer één," zeide de vorst, toen Warenka zich verwijderde.

Kitty bemerkte, dat hij met Warenka een weinig den spot wilde drijven, maar dat hem dat niet recht gelukken wilde, omdat zij hem goed bevallen was.

"Nu zal ik al uw vriennen wel leeren kennen," voegde hij er bij; "ook uw madame Stahl, als zij zich vernederen wil zich mijner te herinneren."

"U heeft haar dus gekend, papa?" vroeg Kitty met een zekeren angst, daar zij bij het noemen van madame Stahl in haar vaders oogen iets spotachtigs zag opflikkeren.

"Ik heb haar man en ook haar oppervlakkig gekend, voor zij zich onder de piëtisten had begeven."

"Piëtisten, wat zijn dat, papa?" vroeg Kitty, zeer verschrikt, wijl datgene, wat zij in mevrouw Stahl vereerde, een naam had.

"Dat weet ik zelf niet zoo precies. Ik weet slechts, dat zij God voor alles dankt, voor ieder ongeluk, en ook daarvoor, dat haar man is gestorven. Nu, dit kon belachelijk schijnen, want zij hebben slecht genoeg met elkander geleefd."

"Daar is zij," zeide Kitty en wees op een rolwagen, waarin, van alle zijden door kussens ondersteund, iets van grauwblauwe kleur onder een zonnescherm lag. Dat was mevrouw Stahl. Achter haar stond een sombere Duitsche arbeider, die den wagen schoof; naast haar een blonde Zweedsche graaf, dien Kitty slechts bij naam kende. Eenige zieken bleven aarzelend bij het ziekenwagentje staan en staarden de daarin gezeten dame als een wonder aan.

De vorst naderde met Kitty en deze zag dadelijk weer in zijn oogen die spottende uitdrukking. Hij trad op madame Stahl toe en sprak haar recht hoffelijk en vriendelijk in dat uitgezochte Fransch aan, dat tegenwoordig nog slechts zoo weinigen in staat zijn te spreken.

"Ik weet niet, of u zich mijner nog zal herinneren, maar ik moet mij u weer in het geheugen terug roepen om u te danken voor de aan mijn dochter bewezen goedheid," zoo sprak hij, terwijl hij zijn hoed afnam en niet weer opzette.

"Vorst Alexander Tscherbatzky," antwoordde mevrouw Stahl, terwijl zij haar hemelsche oogen tot hem ophief, waarin Kitty nu een zekere ontevredenheid meende te bespeuren: "ik verheug mij u te zien. Ik heb uw dochter zeer lief gekregen."

"En met uw toestand gaat het nog steeds niet beter."

"Ik heb mij daaraan reeds gewend," antwoordde madame Stahl en maakte den vorst met den Zweedschen graaf bekend.

"U is anders weinig veranderd," zeide de vorst. "Het moet tien of elf jaar geleden zijn, dat ik het laatst de eer had u te zien."

"Ja, als God een kruis oplegt, geeft hij ook de kracht om het te dragen. Men vraagt zich zelf wel eens, waarom het leven zoo lang is…. De andere zijde!" voegde zij er tot Warenka gekeerd bij, die bezig was haar voeten in een plaid te wikkelen.

"Wel, om goed te doen!" antwoordde de vorst met de oogen lachend.

"Wij mogen ons geen oordeel daarover aanmatigen," meende madame Stahl, die de verdachte uitdrukking in zijn oogen bespeurd had. "Derhalve, u zal me dat boek toezenden, lieve graaf? Ik zal u daarvoor zeer dankbaar zijn," sprak zij tot den jongen Zweed gekeerd.

"Ah!" riep de vorst uit, daar hij in de nabijheid den Moskouer overste zag. Hij boog zich voor mevrouw Stahl en ging met zijn dochter en de overste, die zich bij hen aansloot, verder.

"Dat is onze aristocratie, vorst," zeide de Moskouer overste, die zich sarcastisch wilde uitdrukken, daar hij het madame Stahl zeer kwalijk had genomen, dat zij met hem niet bekend was geworden.

"Zij is altijd dezelfde," antwoordde de vorst.

"U heeft haar nog voor haar ziekte gekend, vorst? Men zegt, dat zij in tien jaren niet heeft geloopen."

"Zij loopt niet, omdat zij een kort been heeft…."

"Papa, dat is niet mogelijk!" meende Kitty.

"Booze tongen beweren het, lieveling. Uw Warenka heeft ook een pleizierige taak," voegde hij er bij. "O, die zieke dames!"

"Ach neen, papa," wederlegde Kitty, "Warenka vergoodt haar. En dan doet zij ook zooveel goeds. Vraag, wie u wil. Allen kennen haar!" "'t Is mogelijk, 't is mogelijk!" antwoordde hij en drukte haar arm tegen zich aan. "Maar beter is het nog, dat men het zoo doet, dat, wie men ook vragen mag, niemand het weet."

Kitty zweeg, niet omdat zij niets wist te antwoorden, maar omdat zij haar geheimste gedachten niet aan haar vader wilde verraden. Maar zonderling! Ofschoon zij zich voorgenomen had, niet in het oordeel haars vaders te deelen en hem niet in haar heiligdom te laten indringen, besefte zij toch, dat het hemelsch beeld van mevrouw Stahl, dat zij een geheele maand lang in haar hart had gedragen, spoorloos verdween. Er bleef slechts een vrouw met een kort been over, die niet loopt om haar mankheid te verbergen, en die Warenka kwelt, omdat ze niet geheel naar haar wensch den plaid had terecht gestoken. Met alle inspanning harer verbeelding vermocht zij niet, zich de vroegere madame Stahl voor te stellen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings