← Table of contents
Anna Karenina

V.

Reading edition · Edition 2

Hoe vurig Anna ook verlangd had haar zoon weer te zien en hoewel zij zich in alle opzichten daarop had voorbereid, had ze toch niet gedacht, dat deze ontmoeting haar zóó zou aangrijpen. In het hotel teruggekeerd, kon ze geruimen tijd niet begrijpen, waarom ze daar was.

"Ja, alles is weer voorbij en ik ben weer alleen," sprak ze in zich zelf en zonder den hoed af te zetten ging ze op den stoel zitten, die bij den haard stond. Met starenden blik keek zij naar de bronzen pendule, die op de console tusschen de beide vensters stond.

De Italiaansche min bracht het kleine meisje en hield het Anna toe. Het kleine, dikke, wel doorvoede kindje draaide evenals altijd, wanneer het zijn moeder zag, de ronde, volle armpjes met de handpalm naar beneden, lachte met het nog tandelooze mondje, en, evenals een visch met zijn vinnen doet, begon het met de handjes op zijn gesteven rokje te slaan. Men moest glimlachen, het kind kussen, en het den vinger toehouden, dien het juichend en met het geheele lichaam opspringend greep, en dan moest men het de lippen toehouden, die het in plaats van ze te kussen inzoog.

Dat alles deed Anna, nam het op den arm, liet het springen en kuste het de frissche wangen en de bloote armpjes, maar bij den aanblik van dit kind, werd zij zich bewust, dat zelfs het gevoel, dat zij voor het kindje koesterde in vergelijking van dat voor Serëscha geen liefde kon genoemd worden. Alles in dit kleine meisje was bekoorlijk, maar het roerde haar hart niet. Op het eerste kind, hoewel van een onbeminden man, had zij al de kracht harer liefde, die geen bevrediging gevonden had, vereenigd; aan het kleine, onder de moeielijkste omstandigheden geboren meisje was niet het honderdste deel van de zorg besteed, die men eens aan Serëscha had gewijd. Buitendien was de kleine nog geheel verwachting, Serëscha daarentegen was reeds bijna een mensch, een geliefd mensch en in hem bewogen zich reeds gedachten en gevoelens; hij begreep en beminde haar en kon zich reeds een oordeel vormen. En van hem was zij nu voor altijd, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gescheiden, en daaraan was niets meer te veranderen!

Zij gaf het kleine meisje aan de min terug en nam een album waarin zich alle photographieën van haar zoon in zijn verschillende levensjaren bevonden. Zij beschouwde ze en daarbij viel haar blik ook op Wronsky's portret.

"Dat is hij!" zeide zij en dacht daarbij aan hem als aan dengene, die de schuld was van haar tegenwoordigen, ongelukkigen toestand. Den ganschen morgen had zij niet aan hem gedacht. Maar nu haar plotseling dit mannelijk schoone, welbekende, dierbare gelaat tegenstraalde, nu gevoelde zij een onverwachte opwelling van liefde voor hem.

"Waar is hij? Waarom laat hij mij nu zoo alleen met mijn smart?" dacht zij plotseling met een treurig gevoel van verwijt, maar toch ook van liefde, terwijl ze vergat, dat zij zelf voor hem alles, wat haar zoon betrof, geheim had gehouden. Zij zond naar hem toe om te vragen, of hij terstond bij haar wilde komen. De bode kwam met het antwoord terug, dat hij bezoek had, maar dat hij spoedig zou komen en of hij vorst Jawschin mocht meebrengen.

"Hij komt niet alleen, hoewel hij mij sedert gisteren middag niet gezien heeft," dacht zij, en plotseling kwam de gedachte in haar op, dat hij haar reeds lang niet meer liefhad en dat nu voor haar geheim zocht te houden. Het weerzien van haar zoon, de ontmoeting met haar echtgenoot, al haar herinneringen aan het verleden, alles had zij nu vergeten. "Ja, hij bemint mij niet meer! Hoe is het mogelijk, dat ik dit niet reeds eerder bemerkt heb!" En terwijl zij alle gebeurtenissen van den dag in haar geest naging, vond zij in alles met ontzetting de bevestiging van dit vreeselijk vermoeden. Dat hij gisteren middag niet te huis bij haar gegeten had, dat hij er op had aangedrongen, dat zij in Petersburg ieder voor zich een afzonderlijke woning zouden nemen, en dat hij nu met zijn gast bij haar kwam, alsof hij een ontmoeting met haar alleen vermijden wilde…."

"Maar hij moet het mij zeggen! Ik moet het weten! En als ik het weet, dan weet ik ook, wat mij te doen staat," zeide zij buiten staat zijnde zich den toestand voor te stellen, waarin zij geraken zou, wanneer ze zich werkelijk van zijn onverschilligheid overtuigd zou hebben. Zij gevoelde zich de vertwijfeling nabij en ten gevolge daarvan in een buitengewoon opgewonden toestand. Zij schelde om het meisje en ging naar haar toiletkamer. Zij hield zich nu meer dan gewoonlijk met haar toilet bezig, alsof hij haar weer lief moest krijgen, wanneer ze een kapsel en een kleed droeg, die haar het best stonden. Slechts aan hem dacht zij nog, aan haar liefde en niet meer aan haar zoon. Nog eer zij gereed was, hoorde zij de gasten schellen.

Toen zij het salon betrad, was het niet zijn, maar Jawschins blik, die haar het eerst begroette; hij beschouwde de photographieën van haar zoon, die zij op de tafel had laten liggen, en hij scheen geen haast te hebben om zich tot haar te wenden.

"Wij zijn reeds oude bekenden," zeide zij en legde glimlachend haar kleine hand in de buitengewoon groote van den ietwat verlegen Jawschin; deze verlegenheid stond hem wonderlijk bij zijn hooge gestalte en forsch gelaat. "Verleden jaar hebben wij elkaar bij den wedren leeren kennen. Waren de wedrennen dit jaar ook interessant? Ik heb daarvoor de Corsoin Rome leeren kennen. Maar gij zijt geen vereerder van het buitenlandsche," zeide zij hem bemoedigend toelachend. Ik ken u en uw smaak, hoewel we elkander slechts eenmaal ontmoet hebben."

"Dat spijt me, want ik heb een slechten smaak," antwoordde hij.

Nadat zij zoo een tijdlang gepraat hadden, bemerkte Jawschin, dat Wronsky naar de pendule keek. Hij vroeg daarom nog slechts, of zij nog lang in Petersburg dachten te blijven, en greep daarna naar zijn muts.

"Ik denk niet lang," antwoordde zij, Wronsky verlegen aanziende.

"Dan zullen wij elkander wel niet meer zien," zeide Jawschin opstaande en zich tot Wronsky wendende. "Waar gaat ge van middag eten?"

"Wees van middag mijn gast," zeide Anna vastberaden, terwijl zij zich ergerde over haar verlegenheid, want zij bloosde als gewoonlijk, wanneer ze in het bijzijn van een vreemde op haar tegenwoordigen toestand moest zinspelen. "Het eten is hier wel is waar niet bizonder goed, maar gij beiden kunt dan ten minste hij elkander blijven. Alexei houdt van niemand zijner kameraden zooveel als van u."

"Dat verheugt mij zeer," antwoordde Jawschin, met een lachje, waaraan Wronsky bemerkte, dat Anna een goeden indruk op hem gemaakt had, en terwijl hij Anna eerbiedig naderde, drukte hij haar weer voorzichtig de hand.

Wronsky was met Jawschin opgestaan.

"Dus gij gaat ook?" zeide zij en gaf ook hem de hand.

"Ik had mij reeds wat verlaat," antwoordde hij. "Ga maar vooruit, ik zal u wel weer inhalen," riep hij Jawschin toe, die reeds bij de deur stond.

Zij hield zijn hand vast en zag hem met onafgewenden blik aan, terwijl zij er over nadacht, wat zij hem zou kunnen zeggen om hem terug te houden.

"Wacht, ik wil u iets zeggen," sprak zij en drukte zijn hand tegen haar hals. "Het hindert toch niet, dat ik hem uitgenoodigd heb?"

"Dat was heel goed van u," antwoordde hij, terwijl hij haar lachend de hand kuste.

"Alexei, ge zijt toch niet jegens mij veranderd?" vroeg zij met beide handen de zijne drukkend.

"Alexei, het verblijf hier is voor mij zoo pijnlijk. Wanneer reizen wij af?"

"Spoedig, spoedig! Gij kunt niet denken, hoe zwaar het leven hier ook mij valt," antwoordde hij zijn hand terugtrekkend.

"Nu, ga dan maar heen!" zeide zij beleedigd en wendde zich snel van hem af.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings