I.
Reading edition · Edition 2
Het was reeds de derde maand, dat de Lewins in Moskou woonden.
Het tijdstip, waarop volgens de nauwkeurigste berekeningen Kitty bevallen moest, was reeds lang voorbij, maar zij was nog altijd op de been en aan niets was te bemerken, dat zij veel nader bij dat tijdstip was dan voor twee maanden. De dokter, de vroedvrouw, Dolly en haar moeder, maar bovenal Lewin, die niet zonder ontzetting kon denken aan hetgeen komen zou, begonnen angstig ongeduldig te worden; slechts Kitty zelf gevoelde zich gelukkig en wel.
Allen, die zij liefhad, waren bij haar, verzorgden haar en waren zoo goed voor haar, dat zij zich geen beter leven had kunnen wenschen, wanneer zij zich niet van de spoedig naderende beslissing bewust was geweest. Het eenige, wat minder gunstig op haar gestel werkte, was, dat Lewins houding niet was, zooals zij wenschte en zooals zij het liefst hem zou gezien hebben.
Zijn kalme, vriendelijke, gastvrije toon op het land beviel haar. Hier in de stad scheen hij bestendig in onrust en als het ware op de loer, alsof hij vreesde, dat iemand hem of hoofdzakelijk haar kon beleedigen. Ginds op het land gevoelde hij zich op zijn plaats, overijlde zich nooit en was nooit ledig. Hier in de stad daarentegen overijlde hij zich altijd, wilde niets verzuimen en wist niet waarmee zich bezig te houden. En wat zou hij ook doen? Kaartspel was niets voor hem; naar de sociëteit ging hij niet; het verkeer met levenslustige lieden zooals Oblonsky? Zij wist nu, wat dat beteekende: dat beteekende wijn drinken en na het drinkgelag verder hier of daar heengaan; zonder ontzetting kon zij er niet aan denken, waarheen in zulke gevallen de mannen eigenlijk gingen; zij wist, dat in deze amusementen zekere jonge vrouwen een rol spoelden, en dat was haar volstrekt niet naar den zin. Dus bij haar thuis zitten en zich met haar, haar moeder en de zusters bezig houden? Maar hoe vroolijk en onderhoudend haar zelf ook altijd deze gesprekken schenen, hem verveelden ze. Wat bleef hem dus nog over? Zou hij aan zijn boek verder schrijven? Hij had dat reeds beproefd, maar hij had haar bekend, dat, hoe minder hij te doen had, hij des te minder tijd overhield.
Slechts één voordeel had het leven in de stad: zij kibbelden hier in 't geheel niet meer.
Waren zij nu zelf in dit opzicht voorzichtiger of verstandiger geworden? Genoeg, zij hadden in Moskou in 't geheel deze tooneelen vol ijverzucht niet, waarvoor zij bij hun verhuizen daarheen zoo zeer gevreesd hadden. En toch viel er in dit opzicht iets voor beiden hoogst gewichtigs voor, namelijk een ontmoeting van Kitty met Wronsky.
De oude vorstin Marie Borissowna, een peettante van Kitty, van wie zij veel hield, had den levendigen wensch geuit, Kitty, die wegens haar toestand slechts zelden uitreed, te zien, en zoo reed deze er met haar vader heen. Daar troffen zij ook Wronsky aan.
Bij deze ontmoeting kon Kitty zich slechts verwijten, dat haar in het eerste oogenblik, toen zij de haar zoo welbekende trekken voor de eerste maal in burgerkleeding wederzag, de adem stokte en het bloed haar naar het hart drong, zoodat zij voelde, dat een blos haar gelaat bedekte. Maar dat duurde slechts weinige seconden. Haar vader had zijn gesprek, dat hij met opzet terstond op luiden toon met Wronsky begonnen had, nog niet geëindigd, toen zij er ook reeds volkomen op voorbereid was met hem evenzoo te spreken als met vorstin Marie Borissowna en vooral zoo, dat haar echtgenoot, wiens onzichtbare tegenwoordigheid zij als het ware in deze oogenblikken gevoelde, iederen toon en ieder lachje zou gebillijkt hebben.
Zij wisselden eenige woorden met elkander, zij glimlachte zelfs om een scherts van hem, terwijl hij van de verkiezingen vertelde, en deze "ons parlement" noemde. Maar terstond wendde zij zich weer tot haar peettante en zag hem niet meer aan, totdat hij opstond en voor haar boog.
Toen zij Lewin vertelde, dat zij Wronsky ontmoet had, bloosde deze nog veel sterker dan zij. Het was haar reeds zeer zwaar gevallen het hem mede te deelen, maar nog zwaarder viel het haar hem alle bizonderheden der ontmoeting te berichten, omdat hij haar daar niet naar vroeg, maar haar slechts met gefronsd voorhoofd aanzag.
"Het spijt me erg, dat gij er niet bij zijt geweest," zeide zij. "Maar het was toch goed, dat je niet in de kamer waart, anders was ik natuurlijk niet gebleven. Nu krijg ik veel, veel meer een kleur!" voegde zij er bij en bloosde inderdaad tot tranen toe. "Maar gij hadt door het sleutelgat mogen zien."
Haar oprechte oogen zeiden hem, dat zij over zich zelf tevreden was, en niettegenstaande zij bloosde, stelde hij zich toch terstond gerust en begon haar haarfijn over alles uit te vragen, en dat was juist wat zij wenschte. Nadat hij alles nauwkeurig vernomen had, zeide hij, dat hij bij de eerste gelegenheid Wronsky vriendschappelijk naderen wilde, want het was zoo kwellend zich iemand bijna altijd als een vijand te moeten voorstellen.
"Ik verheug mij wezenlijk zeer!" zeide hij.