XXIX.
Reading edition · Edition 2
Na het onaangename onderhoud van Anna met Wronsky vóór diens vertrek, had zij voor het eerst met ontzetting ingezien, hoe afhankelijk zij van hem was, en zij had met de grootste zelfoverwinning besloten de scheiding van hem kalm te verdragen.
Maar in de eenzaamheid, toen zij zich zijn blik herinnerde, waarmee hij zich op zijn recht op vrijheid beriep, kwam haar weer haar eigen vernedering voor den geest. "Hij heeft het recht om ten alle tijde overal heen te gaan, neen niet alleen om overal heen te gaan, maar ook om mij geheel te verlaten! Hij heeft alle rechten, ik volstrekt geene. Maar juist omdat hij dit weet, had hij het niet moeten doen!"
Wat had hij dan eigenlijk gedaan? Hij had haar koel en streng aangezien. Dat was wel niet iets bepaalds, iets tastbaars, maar vroeger was het niet zoo geweest, en deze blik scheen haar de voorbode van een nieuwen tijd van koelheid en onverschilligheid.
En in het bewustzijn, dat deze tijd reeds aangebroken was, wist zij toch niets daartegen te doen, vermocht zij in haar verhouding tot hem niets te veranderen. Slechts even als vroeger kon zij beproeven hem met haar liefde en haar bekoorlijkheden vast te houden, en even als te voren kon zij slechts des daags door bezigheid en des nachts door morphium de gedachten verstikken aan datgene, wat zijn zou, als hij haar niet meer zou liefhebben. In ieder geval was er nog een middel om hem vast te houden en dat was de scheiding, om dan met hem te trouwen. En zij begon daar nu zelf over na te denken en kwam tot het besluit, den eersten keer, dat hij of Stiwa het gesprek er op zou brengen, zich terstond bereid te verklaren.
In zulke gedachten had zij vijf dagen doorgebracht, den tijd, dat hij afwezig zou zijn. Wandelingen, gesprekken met vorstin Warwara, bezoeken in het ziekenhuis en bovenal lezen, lezen van het eene boek na het andere hadden haar dezen tijd verdreven. Maar, toen op den zesden dag de koetsier zonder hem terugkeerde, gevoelde zij, dat zij niet meer in staat was het verlangen naar hem te onderdrukken. Daar werd haar dochtertje ziek. Anna begon het op te passen, maar ook dat schonk haar geen afleiding meer, te minder, daar de ziekte niet gevaarlijk was. Hoeveel moeite zij zich ook gaf, zij kon dit kleine meisje nu eenmaal niet liefhebben en veinzen wilde zij niet. Tegen den avond gevoelde Anna zulk een angst over Wronsky, dat zij reeds besloot zelf naar de stad te rijden, maar na rijp beraad schreef zij dien brief vol tegenstrijdigheden, dien Wronsky ontvangen had. Toen zij den volgenden morgen den zijnen ontving, berouwde het haar, dat zij den haren reeds verzonden had en zij verwachtte met ontzetting ten tweeden male zijn strengen blik te ontmoeten, vooral als hij zou vernemen, dat het kind volstrekt niet gevaarlijk ziek was. Maar toch verheugde zij zich, dat hij terug zou keeren. Al viel zij hem ook lastig, hij zou toch bij haar zijn, zij zou hem zien in al zijn bewegingen!
Zij zat in het salon onder de lamp en las in een nieuw boek, terwijl zij naar de vlagen van den herfstwind luisterde en ieder oogenblik zijn aankomst verwachtte. Reeds eenige malen had zij het rollen der wielen meenen te hooren, maar zij had zich vergist; eindelijk hoorde zij niet alleen het geraas van een rijtuig, dat het plein opreed, maar ook het roepen van den koetsier.
Zelfs vorstin Warwara, die patiëntie speelde, bevestigde het en Anna stond blozend op, maar in plaatst van naar beneden te gaan bleef zij staan. Zij schaamde zich plotseling over haar leugen, maar het meest vreesde zij, hoe hij dien zou opnemen. Het gevoel van beleediging was wel reeds verdwenen, maar zij vreesde zijn ontevredenheid. Zij ergerde zich over haar dochtertje, dat dit zoo snel en juist op een tijd, dat zij den brief had opgezonden, in beterschap was toegenomen. Toen viel het haar in, dat hij er was, met zijn gestalte, met zijn oogen. Zij vernam zijn stem, en alles vergetend snelde zij hem vol vreugde tegen.
"Nu? en hoe gaat het Nana?" vroeg hij bezorgd, van beneden de op den trap hem te gemoet snellende Anna aanziende, terwijl hem een dienaar de warme reislaarzen uittrok."
"Het beteekent niets, het gaat haar beter."
"En gij?" vroeg hij.
Zij greep met beide handen zijn rechterhand en drukte die tegen haar boezem. Zij wendde de oogen niet van hem af.
"Nu, ik verheug mij zeer," zeide hij met een koelen blik op haar, op haar kapsel en op haar kleed, dat zij, zooals hij wist, voor hem had aangetrokken.
Dat alles behaagde hem, maar hoeveel malen had het hem niet reeds behaagd. En de strenge, harde uitdrukking, die zij zoo zeer vreesde, bleef in zijn trekken onveranderd.
"Nu, ik verheug mij zeer! Zijt ge zelf ook goed gezond?" zeide hij en, zich met den zakdoek den vochtigen baard afvegend, kuste hij haar de hand.
"Het doet er niet toe," dacht zij. "Hij is nu ten minste hier en hij kan niet anders als mij liefhebben."