XI.
Reading edition · Edition 2
Lewin wist niet, of het laat of vroeg was. De kaarsen waren bijna ten einde gebrand; Dolly was juist in zijn kabinet geweest en had den dokter voorgeslagen een oogenblik te gaan liggen rusten. Lewin zat daar en hoorde het verhaal van den arts van een wonderdokter en magnetiseur; hij had het begrepen en voor een oogenblik den angstigen toestand vergeten. Plotseling weerklonk een jammerende kreet, zooals hij nimmer gehoord had. Dit geluid was zoo ontzettend, dat Lewin niet eens opsprong, maar, terwijl hem de adem stokte en de klopping van het hart een oogenblik stilstond, den dokter aanzag. Deze had het hoofd op zijde gebogen en luisterde. Toen glimlachte hij goedkeurend.
Alles was zoo buitengewoon, dat er niets meer was, dat op Lewin indruk maakte. "Dat moet wel zoo zijn," dacht hij en bleef nu rustig zitten. "Maar wat was dat voor een vreeselijke kreet?"
Hij sprong op, snelde op de teenen de slaapkamer in en plaatste zich aan het hoofdeinde van Kitty's ledikant. Het jammeren had opgehouden, maar iets moest er veranderd zijn, dat hij niet zag en niet begreep, ook niet zien en begrijpen wilde. Maar hij maakte het op uit Lisaweta Petrowna's gezicht; het stond ernstig, bleek en vastberaden en zij hield haar oogen op Kitty gericht. Dezer verhit, pijnlijk gelaat was naar hem toegekeerd en zocht zijn blik, zij greep met haar koortsachtige, warme, vochtige handen zijn koude rechterhand en drukte ze aan haar gelaat.
"Ga niet weg! Ik ben volstrekt niet bevreesd," zeide zij haastig.
"Mama, doe mij de oorringen af, zij hinderen mij…." Zij sprak snel, zeer snel en wilde lachen.—Maar plotseling vertrok haar gelaat en zij stiet hem van zich. "Neen, het is ontzettend! Ik sterf, ik sterf! Ga, ga!" riep zij en andermaal klonk die kreet, die aan niets anders gelijk was.
Lewin greep zijn hoofd vast en ijlde de kamer uit.
"Het is niets, alles is immers goed!" zeide Dolly tot hem.
Maar zij mochten zeggen, wat zij wilden, hij hield zich overtuigd, dat alles verloren was. Met het hoofd tegen den deurpost geleund, stond hij in de naaste kamer en hoorde iemand jammeren, en hij wist, dat die daar kermde en steunde Kitty geheeten had. Hij wenschte al lang niet meer het kind te bezitten; maar nu haatte hij dit kind; hij wenschte zelfs niet meer het behoud van haar leven, hij wenschte slechts haar spoedige bevrijding van dit lijden.
"Dokter! wat is dat toch? Wat is dat? Mijn God!" zeide hij en nam den binnentredenden dokter bij de hand.
"Het loopt naar het einde," antwoordde deze. En zijn gelaat stond daarbij zoo ernstig, dat Lewin daaruit opmaakte: zij sterft.
Zich zelf niet meer meester, snelde hij naar de slaapkamer terug. Het eerste, wat hij zag, was Lisaweta Petrowna's gelaat. Het was nog ernstiger en donkerder. Hij herkende in het verwrongen gelaat van haar, die daar lag, zijn Kitty niet meer. Hij leunde met het hoofd tegen het ledikant en voelde zijn hart breken.
Voor een oogenblik verloor hij alle bezinning. Hij kwam weer tot zich zelf, omdat het slaken der jammerkreten ophield; hij vernam een levendig fluisteren en snel ademen en een zachte, haperende, maar overgelukkige stem, die tot hem zeide: "Het is doorgestaan."
Hij hief het hoofd op. Met de krachtelooze handen op de deken, buitengewoon schoon en stil daar liggende zag zij hem sprakeloos aan en wilde, maar kon hem niet toelachen.
En plotseling gevoelde Lewin zich uit eene verschrikkelijke geheimzinnig-vreemde wereld, waarin hij de laatste twintig uren geleefd had, weer in deze oude gewone wereld terug verplaatst, die echter nu in een nieuw en zoo helder licht straalde, dat hij meende het niet te kunnen verdragen. De te strak gespannen snaren sprongen. Snikken en vreugdetranen, die hij niet mogelijk had geacht, welden met zulk een drang in hem op, dat het zijn geheele lichaam schokte en hij een poos niet kon spreken.
Hij knielde voor het bed neder, trok de hand zijner vrouw aan zijn lippen en kuste ze, en deze hand antwoordde met een lichte beweging der vingers.
Intusschen zweefde daar aan het voeteneinde van het bed, in de geschikte handen van Lisaweta Petrowna, als het vlammetje eener lamp, het leven van een menschelijk wezen, dat tot hiertoe nog niet bestaan had en dat voortaan met gelijk recht een leven voor zich zelf leiden en andere aan hetzelve gelijke wezen voortbrengen zoude….
"Het leeft! het leeft! En nog wel een jongen! Verontrust u niet," hoorde Lewin de stem van Lisaweta Petrowna, die met lichte hand het kind een slagje op den rug gaf.
"Mama, is dat waar?" vroeg Kitty's stem.
Slechts het snikken der gravin gaf haar antwoord.
En te midden daarvan klonk als het zekerste antwoord op de vraag der jonge moeder een geheel andere stem als al de overige gedempte stemmen in de kamer. Ongegeneerd, luid en driest klonk het schreeuwen van dat nieuwe menschelijk wezen, dat op onbegrijpelijke wijze hier of daar vandaan was gekomen.
Als men tot Lewin gezegd had, dat Kitty dood was en hij met haar, dat haar kind een engel was en dat zij zich in Gods tegenwoordigheid bevonden, dit alles zou hem niet verwonderd hebben,—maar nu hij in de werkelijkheid terugverplaatst was, moest hij zijn gedachten geweld aandoen om te beseffen, dat Kitty inderdaad leefde en gezond was en dat dit kleine, zoo wanhopig jammerend schepseltje zijn zoon was.
Tegen tien uur zaten de oude vorst, Sergej Iwanowitsch en Stipan Arkadiewitsch bij Lewin in de kamer en spraken met elkander over de kraamvrouw en andere dingen. Lewin hoorde het zwijgend aan en, terwijl hij zich onwillekeurig al het gebeurde vertegenwoordigde, dacht hij aan zich zelf, aan zijn vrouw en aan zijn zoon. Het was hem, alsof sedert den vorigen dag honderd jaren waren verloopen. Hij had een gevoel, alsof hij zoo hoog stond, dat hij behoedzaam moest afdalen tot hem met wie hij sprak, om hem niet te beleedigen. Terwijl hij sprak, dacht hij voortdurend weer aan Kitty en midden in een gezegde brak hij af, sprong op en snelde naar haar toe.
Zij sliep niet, maar sprak zacht met haar moeder over het doopen.
Het haar een weinig opgemaakt, wat omgekleed in een elegante nachtjapon lag zij met de handen gevouwen op de deken, terwijl op haar gelaat een vreedzame verheerlijking blonk als een overgang van het aardsche tot het hemelsche, zooals bij een gestorvene, maar hier beteekende het de begroeting van een nieuw aangekomene, daar die van het afscheid eens vertrekkenden. Wederom werd zijn hart ontroerd. Zij nam zijn hand in de hare en vroeg, of hij geslapen had. Hij kon niet antwoorden, maar zich zijner zwakheid bewust, wendde hij zich af. Plotseling veranderde de uitdrukking van zijn gelaat toen het kind begon te krijten.
"Geef het mij," zeide zij, "geef het mij, Lisaweta Petrowna, dan zal hij zijn zoon zien."
"Wacht, wij moeten eerst ons toilet wat in orde brengen," antwoordde de vroedvrouw en legde een rood bundeltje, dat zich bewoog, op haar schoot en begon het los- en weder in te wikkelen, waarop zij het met lichte hand omkeerde en ophief.
Lewin zag dit nietig, hulpeloos bundeltje en trachtte, hoewel te vergeefs, in zijn hart een bewijs van vaderlijke neiging voor hetzelve te ontdekken. Maar hij gevoelde er bijna afkeer van. Doch toen het geheel was losgewikkeld en hij de kleine fijne handjes en de van teenen voorziene voetjes, die zich bewogen, zag en opmerkte, hoe Lisaweta Petrowna de armpjes als fijne springveren in linnen wikkelde, overviel hem zulk een medelijden met dit wezentje en zulk een angst, dat hij de hand der vroedvrouw weerhield. Deze lachte:
"Wees gerust! U behoeft niet bang te zijn."
En toen het kindje nu tot een vaste pop was ingerold, hief zij het met ééne hand op, terwijl de andere het waggelende hoofdje van dit zonderlinge roode schepseltje ondersteunde. En inderdaad, daar waren ook een neusje, gespleten oogjes en smakkende lipjes.
"Een bizonder schoon en voordeelig kind!" zeide Lisaweta Petrowna.
Lewin zuchtte. Dat schoone kind met zijn waggelend hoofdje boezemde nog slechts een gevoel van medelijden in. Plotseling vertrok het zijn gezichtje en niesde. Lisaweta legde het kind in Kitty's arm; deze lachte van geluk: het kind had de borst genomen.
Lewin had, na zijn vrouw gekust te hebben, de donkere kamer verlaten.
Datgene, wat hij voor dit kind gevoelde, was iets geheel anders dan hij verwacht had; in dit gevoel was niets vroolijks; integendeel veeleer iets, dat hem kwelde en beangstigde. Het was de bewustheid hier in dit kind een nieuwe licht kwetsbare zijde verkregen te hebben; en dit bewustzijn was in den eersten tijd zoo hinderlijk, de angst dit hulpelooze schepseltje te zien lijden zoo groot, dat hij zich niet kon verheugen; slechts had hem een gevoel van trots vervuld op het oogenblik dat het kind niesde. Maar Kitty beminde hij nu in zulk eene mate, dat zijn vroegere liefde voor haar hem nu als onverschilligheid voorkwam.