XXXIII.
Reading edition · Edition 2
Zij waren te huis gekomen en genoten van hun eenzaamheid. Lewin zat aan zijn bureau te schrijven; Kitty was gezeten op een lederen rustbank, die in het werkkamertje stond, zooals in den tijd van Lewins vader en grootvader; zij hield zich bezig met Engelsch borduurwerk en was gekleed in een violetkleurige japon, waarvan Lewin zooveel hield, omdat zij ze in de eerste dagen van hun huwelijk had gedragen. Terwijl hij nadacht en schreef, genoot hij van de tegenwoordigheid zijner vrouw; zijn werk over de hervorming van de agronomische toestanden in Rusland was niet opgegeven; maar schenen ze hem vroeger, toen zijn leven treurig en somber was, ellendig, thans, te midden van zijn vol geluk, vond hij de bezwaren onbeduidend. Voorheen was de studie voor hem het grootste heil; thans behoedde zij zijn leven voor een al te gelijkmatig genot. Terwijl hij zijn werk herlas, erkende Lewin met genoegen, dat het waarde had, in weerwil van sommige overdreven denkbeelden, en op nieuw het geheel van het vraagstuk overziende, werden vele leemten en gapingen aangevuld. Een hoofdstuk, dat handelde over ongunstige omstandigheden, die den landbouw in Rusland drukten, werd geheel herzien. Volgens hem was de armoede niet de eenige oorzaak van het onevenredig grondbezit en der valsche oeconomische verhoudingen, maar vooral de ontijdige invoering van de Europeesche beschaving, de spoorwegen en politieke geschriften, een overdreven centralisatie, de ontwikkeling van weelde,—en bijgevolg het ontstaan van nieuwe industriëele ondernemingen ten koste van den landbouw,—de overdreven uitbreiding van het crediet en der speculatie. Hij meende, dat de normale vergrooting van den rijkdom eens lands geenszins deze teekenen van uitwendige beschaving gedoogde zonder dat de landbouw een evenredige ontwikkeling had bereikt.
Terwijl Lewin schreef, dacht Kitty aan zijn vreemde houding in den vooravond van hun vertrek van Moskou, toen de jonge prins Tscharsky haar met weinig tact een beetje het hof maakte. "Hij is jaloersch," dacht zij. "Mijn hemel, wat is hij verstandig en dwaas! Indien hij eens wist, welk een indruk zij allen op mij maken! Juist als Peter de kok!" En zij wierp een eigenaardigen blik als eigenares op den forschen nek en hals van haar echtgenoot. "'t Is jammer hem te storen, maar hij zal den tijd hebben om later te werken; ik wil zijn gezicht zien; zal hij voelen dat ik hem bekijk? Ik wil, dat hij zich omkeert…." En zij opende zeer wijd de oogen, als om meer kracht aan haar blik te geven.
"Ja, zij trekken de beste sappen tot zich en geven een valschen schijn van rijkdom," mompelde Lewin, terwijl hij de pen neerlegde en gevoelde, dat de blik zijner vrouw op hem was gevestigd. Hij keerde zich om:
"Wat is het?" vroeg hij opstaande met een glimlach.
"Hij heeft zich omgekeerd," dacht zij.—"Niets, ik wilde dat ge u zoudt omkeeren," en zij zag hem aan om te weten, of hij ontevreden was, dat zij hem gestoord had.
"Wat is het goed met ons beiden te zijn! Voor mij ten minste," zeide hij en naderde haar, terwijl zijn gelaat straalde van geluk.
"Ik bevind me hier zoo goed, dat ik volstrekt niet meer van hier zal gaan, vooral niet naar Moskou."
"Waar dacht je aan?"
"Ik! ik dacht…. Neen, neen, ga maar schrijven, laat je niet aftrekken," antwoordde zij even pruilend den mond vertrekkend. "Kijk, ik moet nu al deze knoopsgaten knippen."
En zij nam haar borduurschaartje.
"Neen, zeg mij waar je aan denkt," hernam hij zich bij haar nederzettend en volgde de bewegingen van haar kleine schaar.
"Waaraan ik dacht? Aan Moskou en aan u."
"Wat heb ik gedaan om dat geluk te verdienen? Het is niet natuurlijk," zeide hij haar de hand kussende.
"En ik, hoe gelukkiger ik ben, hoe meer ik dat natuurlijk vind."
"Hier is een haarlokje los," zeide hij, haar hoofd voorzichtig een weinig ter zijde draaiend.
"Een haarlokje? Laat het maar zitten; wij houden ons met ernstige zaken bezig."
Maar zij werden in hun ernstige zaken gestoord, en toen Kosma de thee kwam aankondigen, verwijderden zij zich snel van elkander als betrapte schuldigen.
Toen hij alleen was gebleven, bergde Lewin zijn beschreven papier in een vloeiboek, dat zijn vrouw had gekocht, waschte toen zijn handen in een elegante waschkom, die ook door haar gekocht was, en, over zijn gedachten lachend, hief hij het hoofd op met een gevoel, dat geleek op wroeging. Zijn leven was te weelderig, te verbasterd. Het was een leven van genot, waarover hij zich een weinig beschaamd gevoelde.
"Zulk een bestaan deugt niets," dacht hij. "'t Zijn nu bijna drie maanden dat ik aan 't flaneeren ben. Vandaag heb ik mij voor de eerste maal aan het werk gezet en nauwelijks ben ik begonnen, of ik heb het al weer neergelegd. Ik verzuim zelfs mijn gewone bezigheden, ik geef nergens meer acht op, ik voer volstrekt niets uit. Nu spijt het mij haar te verlaten, en dan vrees ik, dat zij zich verveelt; ik, die nog wel dacht, dat het leven voor het huwelijk een ernstige beteekenis had en dat het eerst daarna een recht werkelijk leven zou worden! En zie, het zijn bijna drie maanden dat ik mijn tijd doorbreng op een wijze, die men wel leegloopen kan noemen. Dat kan niet voortduren. Het is haar schuld niet en men kan haar het minste verwijt niet doen. Ik had mijn fermiteit, mijn gezag als man moeten toonen, want ik zou op die wijze voortgaande slechte gewoonten aannemen."
Een ontevreden mensch verdedigt zich gemakkelijk met de schuld van zijn ontevredenheid op een ander te werpen. Ook Lewin dacht met droefheid, dat, indien de oorzaak niet lag bij zijn vrouw (en haar kon hij niet beschuldigen), ze gelegen was in haar opvoeding. "Dat mispunt van een Tscharsky, bij voorbeeld, hem had zij zelfs niet in het noodige respect kunnen houden." En buiten haar kleine belangen der keuken (deze bezorgde zij zelf), van haar toilet en van haar borduurwerk, was er niets, dat haar bezig hield. "Geen de minste sympathie voor mijn werkzaamheden, voor de bouwerij of voor de boeren, zelfs geen smaak voor lectuur of muziek, en toch is zij een goede musicienne. Zij doet volstrekt niets en is toch zeer voldaan."
Toen Lewin aldus oordeelde, begreep hij niet, dat zijn vrouw zich voorbereidde voor een tijd van bezigheid, die haar zou verplichten alles te gelijk te zijn: vrouw, moeder, meesteres van het huis, voedster, onderwijzeres; hij begreep niet, dat zij zich deze uren van ledigheid en liefde veroorloofde, omdat een geheim instinct haar wees op de taak, die haar wachtte, terwijl zij langzamerhand haar nest gereed maakte voor de toekomst.