← Table of contents
Anna Karenina

VIII.

Reading edition · Edition 2

Darja Alexandrowna sleet den ganschen zomer met haar kinderen in Pokrowka bij haar zuster Kitty Lewina. Op haar eigen landgoed was het huis geheel vervallen en Lewin en zijn vrouw hadden haar overgehaald den zomer bij hen door te brengen. Stipan Arkadiewitsch vond deze schikking voortreffelijk en zeide, dat 't hem alleen maar speet, dat zijn betrekking hem verhinderde eveneens den zomer met de zijnen buiten door te brengen, daar dit voor hem het grootste geluk zou zijn. Hij bleef in Moskou achter en kwam van tijd tot tijd eenige dagen naar buiten.

Behalve de Oblonsky's met al de kinderen en hun gouvernante, hield zich dezen zomer ook de oude vorstin Tscherbatzky bij de Lewins op. Zij hield het voor haar plicht onder de tegenwoordige omstandigheden haar onervaren dochter ter zijde te staan. Ook Warenka, Kitty's vriendin, die zij in Soden had leeren kennen, had haar belofte vervuld Kitty te bezoeken, zoodra zij getrouwd zou zijn. Hoewel dit bijna allen bloedverwanten van Kitty waren en Lewin ze allen genegen was, betreurde hij toch een weinig zijn Lewinsche wereld en levenswijze, die, zooals hij zich uitdrukte, door den toestroom van het "Tscherbatzkysche element" met vernietiging bedreigd werd. Van zijn eigen familie bezocht hem dezen zomer slechts zijn broeder Sergej Iwanowitsch; maar ook hij was in zijn hart geen Lewin, maar een Kosnischew, zoodat het Lewinsche element geheel onderlag.

In Lewins huis, dat zoo lang ledig was geweest, waren nu zooveel menschen, dat bijna alle kamers bezet waren, en bijna elken dag moest de oude vorstin, voor zij aan tafel ging zitten, de hoofden tellen om het dertiende kleinkind aan een afzonderlijke tafel te plaatsen. Ook Kitty, die zich zeer druk maakte met de huishouding, had moeite genoeg al de hoenders, kalkoenen en eenden te verschaffen, die de goede eetlust harer gasten zoozeer behoefde.

Terwijl de kinderen in de kamer thee dronken, zaten de volwassenen op het balkon.

"Gij kunt er op aan, wat ik u zeg. Alexander komt niet mee," zeide de oude vorstin.

Men verwachtte namelijk met den avondtrein Stipan Arkadiewitsch, en de oude vorst had geschreven, dat hij misschien mede zou komen.

"En waarom?" ging de oude dame voort. "Hij zegt, dat men jonggetrouwden aan zich zelf moet overlaten."

"Papa heeft ons reeds genoeg alleen gelaten; hij is nog nooit hier geweest," zeide Kitty. "En welk een jong echtpaar zijn wij? We zijn reeds oud genoeg."

"Maar wanneer hij niet komt, dan neem ik ook afscheid, kinderen," zei de oude vorstin met bekommerde zucht.

"Waar denkt ge aan, mama!" vielen haar nu haar dochters aan.

"Bedenkt toch, hoe het hem, nu hij alleen is, te moede moet zijn! Want nu…." En plotseling, geheel onverwachts begon de stem der vorstin te beven. De dochters zwegen en zagen elkander aan. "Mama haalt zich altijd treurige dingen in 't hoofd," spraken haar blikken. Zij wisten niet, dat, hoe behagelijk zich de vorstin ook bij haar dochter gevoelde en hoewel zij haar aanwezigheid hier voor noodig hield, het haar en haar man treurig te moede was, sedert ook haar laatste, haar lievelingsdochter getrouwd was en haar familienest zoo geheel was verlaten.

"Wat wilt ge, Agasija Michailowna?" vroeg Kitty plotseling aan de met een geheimzinnig en gewichtig gelaat naast haar staande keukenmeid.

"Over het avondeten…."

"Ach, is het al weer zóó laat," zeide Dolly. "Ga gij nu heen om er voor te zorgen, dan zal ik intusschen met Grischa de les repeteeren. Hij is vandaag lui geweest."

"Dat is me ook een les! Neen, Dolly, ik zal gaan," riep Lewin opspringende.

Grischa, die op het gymnasium zou komen, moest voor dien tijd in dezen zomer nog al zijn lessen herhalen.

Dolly had reeds altijd in Moskou met haar zoon Latijn gewerkt, en toen zij nu bij de Lewins gekomen was, had zij het zich tot een regel gemaakt, ten minste eenmaal daags de moeielijkste Latijnsche thema's en rekenkundige voorstellen met hem te repeteeren. Lewin had aangeboden dit voor haar te doen; maar toen de moeder eens zijn onderwijs had aangehoord, bemerkte zij, dat hij anders onderwees dan de leeraar in Moskou.

Eenigszins verlegen, omdat zij Lewin niet beleedigen wilde, antwoordde zij hem toch vastberaden, dat er precies naar het boek gerepeteerd moest worden, zooals de onderwijzer gewoon was, en dat het beter was, dat zij dit zelf deed.

Het verdroot Lewin, dat Stipan Arkadiewitsch uit louter traagheid niet zelf over het onderwijs zijner kinderen waakte, maar dit aan de moeder overliet, die toch van het onderwijs, dat zij geven moest, zelf niets begrijpen kon. Daarom beloofde hij zijn schoonzuster, geheel in haar geest en in dien van den leeraar te onderwijzen, hoewel hij het volstrekt niet met deze methode eens was, en hij ging voort zich met Grischa bezig te houden. Maar hij vergat somtijds den tijd en zoo ook heden.

"Neen, Dolly, blijf zitten. Terstond zal alles in orde zijn!" zeide hij en nam het boek. "Alleen wanneer Stiwa komt en wij op de jacht mochten gaan, zal ik het uur verzuimen." En hij ging naar Grischa.

Intusschen had ook Warenka op dezelfde wijze tot Kitty gesproken. Zij wist zich ook in het gelukkige, comfortabele huis van Lewin nuttig te maken.

"Blijf gij zitten, Kitty, voor het avondeten zal ik zorgen," zeide zij en ging naar Agasija Michailowna.

"Ja, ja, maar waarschijnlijk zullen er geen kuikens te krijgen zijn. Dan moeten wij van ons eigen…." zeide Kitty.

"Zeer goed, wij zullen alles met Agasija Michailowna overleggen!" En Warenka verdween.

"Welk een net meisje!" zeide de vorstin.

"Meer dan net, mama," zeide Kitty, "zij is er een, zooals er geen tweede bestaat!"

"Dus gij verwacht Stipan Arkadiewitsch?" mengde zich Sergej Iwanowitsch in het gesprek. "Twee meer verschillende zwagers zijn er niet," voegde hij er fijntjes lachend bij; "de een levendig en als de visch in het water, slechts in de gezellige kringen thuis, de ander, onze Kostja, ook levendig, haastig en voor alles ontvankelijk, maar in gezelschappen als verstijfd, of hij slaat om zich heen als een visch op het droge."

"Ja, hij is zeer lichtzinnig," zeide de vorstin tot Sergej gewend. "Ik wou u juist verzoeken er eens met hem over te spreken, dat zij (ze wees op Kitty) onmogelijk hier kan blijven; ze moet noodzakelijk naar Moskou verhuizen. Hij zegt, dat hij een dokter wil laten komen."

"Mama, hij zal alles doen! Hij keurt alles goed!" zeide Kitty, die zich over haar moeder ergerde, omdat zij in deze aangelegenheid Sergej Iwanowitsch tot rechter wilde maken.

Midden in dit gesprek hoorde men in de allee het snuiven van paarden en het rollen van wielen over het kiezelzand.

Dolly had nog geen tijd gehad om op te staan, ten einde haar man te gemoet te snellen, toen Lewin reeds uit het venster van de kamer sprong, waar Grischa zijn les leerde en dezen er door beurde.

"Dat is Stiwa!" riep Lewin van beneden. "Wij zijn met de les klaar, Dolly! Wees onbezorgd!" voegde hij er bij.

"Is, ea, id; ejus, ejus, ejus!" riep Grischa, die hard begon te loopen en reeds in de allee zijn vader tegen sprong. Lewin snelde hem echter aan den wagen te gemoet.

"En er is nog iemand in. Wel het is papa!" riep hij van den ingang der allee terug. "Kitty! ga die steile trap niet af! Ga achterom!"

Maar Lewin had zich in zijn veronderstelling vergist, dat de naast Stipan in den wagen zittende de oude vorst was; hij bemerkte spoedig een knappen, welgedanen jongen man met een Schotsche muts met lange linten van achteren. Dit was Wassenka Wesslowsky, een verre bloedverwant der Tscherbatzky's, een Petersburg-Moskouer en elegant jong mensch, "een kapitale kerel en hartstochtelijk jager," zooals Stipan hem voorstelde.

Volstrekt niet verlegen over de teleurstelling, die hij veroorzaakt had, doordien men zijn persoon met dien van den vorst had verwisseld, begroette Wesslowsky Lewin zeer vergenoegd, terwijl hij hem aan hun vroegere kennismaking herinnerde. Toen hief hij Grischa in den wagen en zette hem op den pointer, dien Stipan Arkadiewitsch meegebracht had.

Lewin steeg niet in den wagen, maar ging er achter. Hij was eenigszins ontstemd, dat de oude vorst niet medegekomen was, van wien hij steeds meer was gaan houden, hoe meer hij hem leerde kennen; het ergerde hem ook, dat deze Wassenka Wesslowsky, een geheel vreemd en overtollig persoon, medegekomen was. Dit scheen bij hem nog meer, toen hij zag, hoe hij op de balkontrap, waar zich groot en klein verzameld had, op een beleefde en galante wijze Kitty's hand kuste.

"Ik ben uw vrouws neef, oude kennissen!" zei Wassenka, Lewins hand stevig drukkend.

"Is er veel wild?" vroeg Stipan reeds aan Lewin, hem nauwelijks tijd latend om ieder te begroeten. "Wij hebben vreeselijke plannen met hem! Hier, Tania! Dat is voor jou. Haal eens, wat daar achter in de kales ligt!" Zoo sprak hij naar alle kanten. "Hoe frisch zie je er uit, Dollinka!" zeide hij tot zijn vrouw en kuste haar voor de tweede maal de hand. Toen hield hij deze in zijn linkerhand en sloeg er zachtjes met de rechter op.

Lewin zag Stipan wrevelig aan. Alles, wat hij sprak en deed, beviel hem niet.

"Wien heeft hij gisteren wel met deze lippen gekust?" dacht hij bij het zien van zijn teederheden jegens zijn vrouw. Hij zag Dolly aan en ook zij beviel hem niet. "Zij kan toch niet aan zijn liefde gelooven! Waarom verheugt zij zich dan zoo? Afschuwelijk!"—Hij zag de oude vorstin aan, die hem nog een oogenblik te voren zoo eerwaardig had toegeschenen, maar de manier, waarop zij nu, alsof zij in haar eigen huis was, dezen Wassenka met zijn linten begroette, beviel hem ook niet. Zelfs Sergej Iwanowitsch, die juist de trap opging, scheen hem onaangenaam om de geveinsde vriendelijkheid, waarmee hij Stipan Arkadiewitsch ontving, hoewel Lewin toch wist, dat zijn broeder Oblonsky volstrekt niet lief had of achtte.—Maar het afschuwelijkst van allen scheen hem Kitty toe, die zich volkomen naar de blijde stemming voegde, waarmede deze vreemde heer zijn komst voor zich en al de overigen als een feestdag beschouwde, en hoofdzakelijk ontstemde hem het bizondere lachje, waarmede zij zijn glimlach beantwoordde.

In druk gesprek gingen allen in huis. Maar toen men plaats genomen had, keerde Lewin zich om en ging naar buiten.

Kitty bemerkte, dat er iets in haar man omging. Zij zocht een geschikt oogenblik waar te nemen om hem alleen te spreken, maar hij haastte zich om van haar los te komen en zeide, dat hij eens op de hoeve moest gaan rondzien. In lange had hem zijn bouwerij niet zoo gewichtig geschenen als nu.

"Voor haar is het altijd feestdag," dacht hij, "maar voor de zaken is er geen feestdag; zij kunnen niet wachten en zonder dezelve kan men niet leven."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings