VI.
Reading edition · Edition 2
Zij trad hem te gemoet, zonder hem haar vreugde te verbergen, dat zij hem zag, en aan de kalmte, waarmede zij hem haar kleine, energieke hand toereikte, hem aan Workuw voorstelde en hem een klein, roodharig meisje presenteerde, dat in de nabijheid met een werkje bezig was en door haar als haar pleegdochter werd aangeduid, herkende hij de hem bekende en steeds aangename manieren eener dame uit de groote wereld, altijd bedaard en altijd natuurlijk.
"Het doet mij veel, veel genoegen," herhaalde zij, maar deze eenvoudige, overal gebruikelijke woorden kregen in haar mond voor Lewin een bizondere beteekenis. "Door uw vriendschap met Stiwa en door uw vrouw ken ik u reeds lang; uw vrouw heb ik slechts korten tijd gekend, maar zij heeft bij mij den indruk van een bekoorlijke bloem, ja van een bloem achtergelaten. En zij zal nu spoedig moeder zijn?"
Zij sprak zonder zich te overhaasten, nu eens van Lewin naar haar broeder, dan weder naar den eersten ziende. Lewin gevoelde, dat de eerste indruk, dien hij op haar gemaakt had, goed was en het werd hem in haar tegenwoordigheid terstond licht en aangenaam om het hart, als had hij haar reeds van zijn kindsheid af gekend.
"Iwan Iwanowitsch en ik hebben ons hier in Alexei's kabinet begeven," antwoordde zij op Stiwa's vraag, of men hier rooken mocht, "juist om te rooken." En zij schoof Lewin een schildpadden cigarenkistje toe en nam er zelf een cigaar uit.
"Hoe gaat het met uw gezondheid?" vroeg haar broeder haar.
"Niet slechter. Zenuwen zooals altijd."
"Niet waar? Een buitengewoon schoon beeld?" vroeg hij Lewin, die herhaaldelijk naar de schilderij zag.
"Ik heb nooit een schooner gezien."
"En buitengewoon gelijkend," zeide Workuw.
Lewin zag van het portret naar het origineel. Een eigenaardige glans vloog over Anna's gelaat op het oogenblik, dat zij zijn blik op haar voelde rusten. Lewin kleurde en, om zijn verlegenheid te verbergen, wilde hij haar juist iets over Dolly vragen, toen zij hem reeds voorkwam.
"Wij spraken juist, voor gij binnenkwaamt, van de laatste portretten van Waschtschenkow…. Kent u ze?"
"Ja, ik heb ze gezien," antwoordde Lewin; "maar zij zijn mij niet bevallen."
Anna sprak niet alleen natuurlijk, maar ook geestig; toch uitte zij haar gedachten op zulk een losse wijze, alsof zij er volstrekt geen beteekenis aan hechtte, maar daarentegen aan de woorden van haar bezoeker veel gewicht toekende.
Het gesprek kwam spoedig op de nieuwe richting in de kunst, in 't bizonder op de nieuwe illustrateurs van den bijbel en de nieuwere Fransche kunstenaars. Workuw beschuldigde hen van realisme, dat in ruwheid ontaard was. Lewin meende, dat de Franschen het conventioneele in de kunst, zooals niemand buiten hen, bereikt hadden en dat zij daarom door reactie in den terugkeer tot het realisme een bizondere verdienste zagen; zij vonden nu hierin hun ideaal, omdat er meer waarheid in was gelegen.
Nog nooit had Lewin bij een door hem geuite geestige opmerking zooveel genoegen gesmaakt, als bij deze. Want Anna's gezicht was plotseling verhelderd en zij waardeerde deze gedachten ten volle. Zij lachte.
"Ik lach," zeide zij, "als iemand, die plotseling een treffend gelijkend portret ziet. Wat u daar juist gezegd heeft karakteriseert volkomen de geheele tegenwoordige Fransche kunst, zoowel de schilderkunst als de litteratuur: Doré, Zola, Daudet! Maar dat is misschien altijd zoo, men bouwt zijn concepties uit conventioneel uitgedachte gestalten, men maakt alle mogelijke combinaties, totdat de uitgedachte figuren vervelend worden en men weder aanvangt in het ware en natuurlijke smaak te vinden."
"Dat is volkomen waar," bevestigde ook Workuw."
"Gij zijt dus in de club geweest?" wendde zich Anna tot haar broeder.
"Dat is eerst een vrouw!" dacht Lewin geheel zich zelf vergetend en beschouwde onafgebroken haar schoon, levendig bewogen gelaat, dat plotseling geheel veranderd was. Hij hoorde niet, wat zij met haar broeder sprak, maar de verandering in haar trekken maakte op hem een diepen indruk. Het te voren in zijn rust zoo schoone gelaat vertoonde plotseling een eigenaardige vermenging van nieuwsgierigheid, toorn en trots. Maar dat duurde slechts een oogenblik; toen kneep zij de oogen toe, alsof zij zich iets zocht te herinneren.
"Nu ja.—Voor 't overige is het immers ook voor niemand interessant," zeide zij en wendde zich tot de Engelsche:
"Please, order the tea in the drawing-room." Het jonge meisje stond op en verliet het vertrek.
"Hoe is het? Is zij door het examen gekomen?" vroeg Stipan Arkadiewitsch.
"Nog wel met glans. Zij heeft veel aanleg en een vriendelijk karakter."
"En het zal er misschien op uitloopen, dat je nog meer van haar zult houden dan van je eigen dochter."
"Zoo spreken de mannen. In de liefde is er geen meer of minder. Mijn dochter bemin ik op deze en haar op een andere wijze."
"Ik geloof, Anna Arkadiewna, dat, als gij slechts het honderdste deel uwer energie aan de algemeene zaak, aan de opvoeding der Russische jeugd gewijd had in plaats van aan deze Engelsche, gij een groot, nuttig werk volbracht zoudt hebben."
"Ja, dat stem ik toe, maar ik kan dat niet. Graaf Alexei Kyrilowitsch…." (bij het noemen van dezen naam zag zij schuchter en vragend Lewin aan en hij antwoordde haar onwillekeurig met een eerbiedigen en bevestigenden blik): "Graaf Alexei Kyrilowitsch heeft er dikwijls bij mij op aangedrongen, mij op het land met de school bezig te houden; ik ben er ook eenige malen heengegaan; het is heel aardig, maar ik kon er mij toch niet aan wennen. Gij spreekt van energie. Maar energie is gegrond op liefde; en liefde laat zich niet dwingen en niet bevelen. Dit meisje heb ik nu eenmaal lief en ik weet zelf niet waarom."
En weer zag zij Lewin aan. Haar glimlach en haar blik, alles zeide hem, dat zij eigenlijk slechts tot hem haar woorden gericht had, dat zij slechts aan zijn meening hechtte en van te voren wist, dat zij beiden elkander juist begrepen.
"Dat begrip ik zeer goed," antwoordde Lewin, "voor de school en dergelijke inrichtingen kan men zijn hart niet africhten en juist daarom geloof ik, dat al deze philantropische 'bemoeiingen' altijd zoo weinig gevolg hebben."
Zij zweeg. Toen lachte zij. "Ja, ja, zeer juist!" bevestigde zij. "Ten minste ik kon het niet. Je n'ai pas le coeur assez large om een geheele inrichting vol leelijke, kleine meisjes lief te krijgen. Er zijn zooveel vrouwen, die zich daardoor une position sociale verschaft hebben. En juist nu," voegde zij met een vertrouwelijk, treurig gebaar, schijnbaar tot haar broeder, maar inderdaad tot Lewin gewend, er bij:
"En juist nu, nu ik zoo vurig naar bezigheid verlang, kan ik het niet." Plotseling fronste zij haar voorhoofd en gaf een andere richting aan het gesprek. Lewin begreep, dat het voorhoofdfronzen haar zelf gold, daar zij van zich zelf gesproken had.
"Ook van u weet ik," sprak zij tot Lewin gewend, "dat u een slecht staatsburger is, maar ik heb u steeds zooveel mogelijk verdedigd."
"Hoe heeft u mij dan verdedigd?"
"Naar dat men u aanviel. Maar, willen de heeren geen thee?" Zij stond op en nam een in marokijn gebonden schrift in de hand.
"Geef het mij, Anna Arkadiewna," zeide Workuw met een blik op het boek. "Het is de moeite wel waard."
"O neen, de schaaf moet er nog over."
"Ik heb hem daarvan verteld," zeide Stipan Arkadiewitsch tot zijn zuster en wees daarbij op Lewin.
"Dat hadt ge liever niet moeten doen. Mijn geschrijf is van denzelfden aard als het korfje en het kleine houtsnijwerk, dat vroeger Lisa Markalewna eens in de gevangenis voor mij gekocht had. Velen dezer ongelukkigen verrichtten wonderwerken van geduld," wendde zij zich tot Lewin.
En Lewin vond weer een nieuwen trek in deze vrouw, waarin hij zooveel behagen had; namelijk naast geest, aanvalligheid en schoonheid ook nog oprechtheid. Zij gaf zich geen moeite het moeielijke harer positie voor hem te verbergen. Toen zij gesproken had, zuchtte zij diep, haar gelaat nam plotseling een strenge uitdrukking aan, scheen als versteend, en met dezen trek scheen zij hem nog schooner dan te voren. Toen zij aan den arm van haar broeder een oogenblik in de groote deur stond, vergeleek hij haar nog eens met het portret en had voor haar zulk een hartelijk medegevoel, dat hij zich over zich zelf verwonderde.
Onder de thee duurde het aangename, aan inhoudrijke gesprek voort; niet alleen, dat men geen oogenblik naar een onderwerp behoefde te zoeken, maar men gevoelde, dat men niet eens tijd genoeg zou hebben om zijn gedachten naar wensch uit te spreken en dat men zich bereidwillig zelf van het spreken onthield om naar datgene te luisteren, wat de anderen zeiden.
Gedurende dit interessante gesprek bewonderde Lewin Anna, minder, zoo hij meende, om haar schoonheid, dan om haar geest, haar beschaving en haar natuurlijke hartelijkheid. En hij, die haar te voren zoo streng veroordeeld had, sprak haar nu, na een zonderlingen gedachtengang, niet slechts vrij, maar had ook medelijden met haar en vreesde, dat Wronsky haar misschien niet ten volle wist te waardeeren. Toen Stipan Arkadiewitsch om elf uur opstond om heen te gaan (Workuw was reeds vertrokken), was het Lewin alsof hij eerst pas gekomen was, en hij stond met weerzin op.
"Vaarwel," zeide zij, zijn hand vasthoudend en hem met haar aantrekkelijkst lachje in de oogen ziende, "ik verheug mij zeer, que la glace est rompue." Zij liet zijn hand los en kneep de oogen toe; "zeg uw vrouw, dat ik haar evenzeer liefheb als vroeger, en dat ik, als zij nu niet met verschooning aan mij denkt, dit niet euvel duid; want om mij te vergeven en te begrijpen zou men zelf moeten doorleven wat ik doorleefd heb, en daarvoor moge God haar behoeden."
"Dat zal ik haar bepaald zeggen." zei Lewin blozend.