← Table of contents
Anna Karenina

XXI.

Reading edition · Edition 2

Wronsky had op de pendule gezien, maar was zoo opgewonden en nog zoozeer met zijn gedachten gevuld geweest, dat hij den wijzer wel had gezien, maar zijn beteekenis niet had begrepen. Hij ging voorzichtig naar zijn rijtuig, dat op de slijkerige landstraat stond. De koetsier was op den bok ingeslapen. Hij wekte hem, sprong in de kales en beval hem naar Briansky te rijden. Zij hadden wel reeds zeven werst gereden, toen Wronsky eerst in zoover tot bezinning kwam, dat hij op het horloge zag en dadelijk begreep, dat het al half zes was en hij zich veel had verlaat.

Dien dag hadden er verscheiden wedrennen plaats: Een wedren in afgesloten ruimte, een andere officierswedren en dan de zijne. Bij dezen kon hij nog tijdig genoeg aankomen, al reed hij eerst naar Briansky; het hof zou dan al wel bijeen zijn, en dit was onaangenaam; maar hij had het Briansky vast beloofd en derhalve beval hij den koetsier de paarden niet te sparen. Hij kwam bij Briansky, bleef slechts vijf minuten en toen ging het in vollen galop weer terug. Dit snelle rijden gaf hem zijn kalmte weder. Zijn gedachten richtten zich nu in vroolijke spanning op den ophanden zijnden wedren en slechts nu en dan vloog de voorstelling van het tegen den nacht afgesproken rendez-vous als een heldere straal door zijn phantasie. Hij achterhaalde meerdere equipages, die van de villa's of van Petersburg naar de renplaats reden.

In zijn woning vond hij slechts zijn staljongen, die hem aan de deur opwachtte en hem terwijl hij zich verkleedde, mededeelde, dat de tweede wedren reeds was begonnen, dat vele heeren naar hem gevraagd hadden en dat de stalknecht er ook al geweest was.

Nadat hij zich zonder overhaasting had verkleed, reed hij naar de stallen van de wedrenplaats. Toen hij de barak binnen trad, hoorde hij schellen. De tweede wedren nam juist een aanvang. Daarbuiten voor den stal had hij Machatins Gladiator ontmoet, die in een oranjekleurig met donkerblauw afgezet dek naar de hippodroom werd geleid.

"Waar is Kord?" vroeg hij den stalknecht.

"In den stal bij het zadelen."

In de geopende standplaats stond Froe-Froe reeds gezadeld. Men wilde ze naar buiten leiden.

"Heb ik mij verlaat?"

"All right, all right! Alles in orde!" antwoordde de Engelschman. "Wind u niet op." Wronsky's onderzoekende blik vloog nog eens over de sierlijke vormen zijns lievelings en toen ging hij weer naar buiten. Hij naderde de tribune in het gunstigst oogenblik om de opmerkzaamheid niet tot zich te trekken. De tweede wedren was juist geëindigd; alle oogen waren op een cavalerie-gardist en achter hem op een lijfhuzaar gericht, die de laatste krachten hunner paarden aanspoorden en den paal naderden. Van alle zijden drongen de volksmenigte en de soldaten op den paal toe, en hierdoor kon Wronsky zich onbemerkt onder de menigte mengen.

Wronsky vermeed opzettelijk de groepen der aanzienlijken, die zich voor de tribune vrij bewogen en met elkander spraken. Hij bemerkte daar mevrouw Karenin, vorstin Betsy en de vrouw van zijn broeder, maar, om niet afgeleid te worden, naderde hij hen niet. Maar ieder oogenblik ontmoette hij kennissen, die hem aanspraken, hem bizonderheden van den afgeloopen wedren verhaalden en hem vroegen, waarom hij zoo laat was gekomen.

Op het oogenblik, toen de overwinnaars van den laatsten wedren naar de tribune geleid werden om hun prijzen te ontvangen, ontmoette Wronsky zijn oudsten broeder Gregorius, een overste met vangsnoeren; klein van gestalte, maar even breed geschouderd als Alexei, nog schooner en blozender van kleur, maar met een gloeienden neus en het kennelijk gezicht van een drinker.

"Heb je mijn briefje ontvangen?" vroeg hij. "U zelf vindt men nooit."

Gregor Wronsky was, in weerwil van zijn uitspattingen en onmatig drinken, een volkomen hoveling. Terwijl hij met zijn broeder sprak over een zaak, die voor dezen hoogst onaangenaam was, vergat hij niet, dat vele oogen op hem konden gevestigd zijn en behield hij een vroolijk onbevangen gelaat, alsof zij over iets zeer onbeduidends spraken.

"Ik heb het ontvangen en begrijp werkelijk niet waarover ge u bezorgd maakt." antwoordde Alexei.

"Ik maakte mij bezorgd, omdat men mij zeide, dat je nog niet hier waart en dat men u Maandag in Pargalowo gezien had."

"Er zijn dingen, waarover alleen hun een oordeel toekomt, die er bij geïnteresseerd zijn, en daartoe behoort ook de zaak, waarmede gij meent u te moeten bezig houden."

"Ja, maar dana moet men niet …"

"Ik verzoek je, u daarin niet te mengen. Dat is alles."

Alexei Wronsky was bleek geworden en zijn onderlip beefde, wat hem zelden gebeurde. Zijn broeder wist dat dit een kwaad teeken was en lachte vroolijk als te voren.

"Ik wilde je moeders brief maar geven," antwoordde hij; "maar wind je vóór den wedren niet op. Bonne chance!" voegde hij er lachend bij en verwijderde zich.

Maar dadelijk na hem sprak weer iemand anders met vrienschappelijken groet Wronsky aan.

"Wel, je kent je vrienden niet. Bonjour, mon cher!" zeide Stipan Arkadiewitsch, die hier met zijn frisch gelaat en wel onderhouden baard niet minder schitterend dan in Moskou. "Ik ben gisteren hier gekomen en verheug mij buitengewoon u spoedig in je zegepraal te zullen zien. Wanneer zien wij elkander weer?"

"Kom morgen aan de officierstafel," zeide Wronsky, en zich verontschuldigend, ging hij naar het midden der renbaan, waar men de paarden voor den grooten wedren met hindernissen heenleidde.

De met zweet en modder bedekte, afgereden en uitgeputte paarden werden hier door de stalknechts geleid naar huis gevoerd, terwijl voor en na de nieuwe, meest Engelsche paarden verschenen, die in hun dekken en met hun sterk ingetrokken buiken er als zonderlinge, groote vogels uitzagen. Rechts werd de schoone, gracieuse Froe-Froe voorgeleid; zij schreed op haar elastische en lange enkels en hoeven als op springveeren voort. Niet ver van haar af werd Gladiator het dek afgenomen.

Wronsky wilde naar zijn paard gaan, maar andermaal werd hij door een bekende opgehouden.

"Daar is Karenin," zeide deze. "Hij zoekt zijn vrouw. Zij zit in het midden der tribune. Hebt ge haar al gezien?"

"Neen," antwoordde Wronsky en zonder naar de tribune te zien ging hij naar zijn paard.

Nauwelijks had Wronsky kunnen onderzoeken, of zijn paard goed gezadeld was, toen de ruiters reeds naar de tribune werden geroepen om hun nummers te trekken. Met ernstige, strenge, ook wel met bleeke gezichten traden zeventien officieren naar de bus en trokken er de nummers. Wronsky bekwam nummer 7. Toen klonk het commando: "Opstijgen!"

In het gevoel, dat hij en de overige ruiters nu het middelpunt van alle op hen gerichte oogen waren, naderde Wronsky zijn paard in dien gespannen toestand, die hem altijd bezonnen en rustig in zijn bewegingen maakte. Kord had zich ter eere van den dag in zijn parade-costuum gestoken, een zwarten tot boven dichtgeknoopten jas, sterk gesteven halsboord, waarop zijn kinnebakken rustten, zwarten hoed en kaplaarzen. Hij was als altijd kalm en vol gevoel van eigenwaarde en hield zelf het paard aan beide teugels. Froe-Froe sidderde als in de koorts en haar vurig oog zag schuins naar den naderenden Wronsky. Deze schoof den vinger onder het zadel. De Engelschman vertrok den mond, hetwelk een lach beteekende, omdat men zijn zadel onderzocht.

"Ga maar opzitten, mylord; u moet zich minder opwinden."

Wronsky keerde zich nog eenmaal naar zijn rival toe. Hij wist, dat hij hem bij het rijden niet meer zien zou. Twee strijders reden al naar de plaats van waar afgereden zou worden. Galzin, een vriend en een der gevaarlijke mededingers van Wronsky, draaide met een bruinen hengst, die hem niet wilde laten opzitten, in het rond. Een kleine lijfhuzaar in een nauwe rijbroek reed, in navolging van den Engelschman, krom als een kater, in galop. Vorst Kusowlew zat doodsbleek op een volbloed merrie, die een Engelschman aan den teugel leidde. Wronsky en al zijn kameraden kenden Kusowlew en zijn eigenaardigheden, namelijk zijn buitengewoon groote eerzucht en zijn zwakke zenuwen. Hij vreesde overal en voor alles en was zelfs bang om op een paradepaard te rijden; maar heden, juist omdat het gevaarlijk was en men den hals kon breken en bij elke barrière een dokter met een lazaretwagen en een pleegzuster gereed stonden, juist daarom had hij besloten mede te rijden. Hun blikken ontmoetten elkander en Wronsky knikte Kusowlew vriendelijk en bemoedigend toe. Slechts een, zijn voornaamsten mededinger, Machatin op zijn Gladiator, zag hij niet.

"Haast u niet," zeide Kord tot Wronsky, "en denk aan één zaak, mylord: bij hindernissen mag u niet ophouden of mennen, maar moet u het paard zelf laten doen, wat het wil."

"Goed, goed," antwoordde Wronsky en greep de teugels.

"Als u kunt, neemt u de leiding weer op; overigens moet u tot op het laatste oogenblik niet wanhopen, zelfs niet als u achter blijft."

Het paard had geen tijd een beweging te maken, toen Wronsky al vast op het krakende leder van den zadel zat. Alsof zij niet wist, met welken voet zij het eerst zou aantreden, rukte Froe-Froe met haar langen hals aan de teugels en liet den ruiter op haar langen rug als op springveeren wippend op- en neergaan. Kord ging, zijn schreden verhaastend, achter haar.

Zij naderden reeds de plaats, vanwaar afgereden zou worden. Eenigen der ruiters bevonden zich voor hen, anderen meer terug, toen Wronsky plotseling achter zich op de slijerige baan den galop van een paard hoorde, en onmiddellijk daarop sprong Machatin hem op zijn Gladiator met zijn witte pooten voorbij. Machatin lachte hem toe, maar Wronsky zag hem onvriendelijk aan. Hij was hem niet genegen en nu hield hij hem voor zijn gevaarlijksten tegenstander en het ergerde hem, dat hij hem voorbij galoppeerde en Froe-Froe daardoor opgewonden maakte. Deze hief het linkerbeen op tot den galop en na twee zetten ging zij, zich over den straf aangetrokken teugel ergerend, in een stootenden draf over. Kord fronste het voorhoofd en liep achter Wronsky heen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings