XXXI.
Reading edition · Edition 2
De dag der aankomst van Sergej Iwanowitsch te Pakrowsky was voor Lewin vol gemoedsaandoeningen geweest.
Men was aan het drukste tijdstip van het jaar gekomen, aan datgene, dat een inspanning van krachten vereischte, die men niet genoeg waardeert, omdat ze geregeld terugkeert en slechts eenvoudige uitkomsten oplevert. Maaien, garven binden, het koren binnen brengen, op nieuw ploegen en zaaien,—dit zijn werkzaamheden, die niemand verwonderen, maar om ze te volvoeren in den korten tijd door de natuur verleend is het noodzakelijk, dat jong en oud het werk aangrijpen, men moet zich drie of vier weken vergenoegen met brood, uien en kaas, men kan slechts eenige uren slapen, men kan dag of nacht niet ophouden, en dit verschijnsel herhaalt zich ieder jaar door geheel Rusland.
Lewin gevoelde zich in dat opzicht één met het volk; hij ging 's morgens vroegtijdig naar het veld, kwam terug om te ontbijten met zijn vrouw en zijn schoonzuster, dan ging hij naar de bouwhoeve, waar hij altijd wat te besturen vond. En terwijl hij het opzicht hield over de werkzaamheden of zat te praten met zijn schoonvader en de dames, vervolgde hem dezelfde vraag: "Wie ben ik? Waar ben ik? Waartoe ben ik?"
Toen hij bij de met nieuw stroo gedekte schuur stond, zag hij het door de dorschmachine opgejaagde stof in de lucht dansen, het stroo zich buiten de machine verspreiden op het door de zon beschenen gras, terwijl de zwaluwen zich verborgen onder het dak en de arbeiders de wijk namen naar het binnenste gedeelte der schuur, waar de schaduw het donkerst was.
"Waartoe dat alles?" dacht hij; "waartoe ben ik hier om over hen het opzicht te houden en zij, waarom toonen zij hun ijver ten mijnen behoeve? Daar is mijn oude vriendin Matrone (een groote magere vrouw, die hij van een brandwond had genezen en die dapper den grond schoffelde), ik heb ze genezen, dat is waar, maar zoo al niet thans, dan zal zij toch over een jaar of over tien jaren naar het graf worden gedragen, evenals dat mooie jonge meisje, dat de elegante speelt, als dat afgematte paard …, als Fedor, die het opzicht heeft bij de dorschmachine en met zooveel gezag de vrouwen bevelen geeft,—en het zal hetzelfde zijn met mij…. Waarom?" en in nadenken verzonken raadpleegde hij werktuigelijk zijn horloge om de taak der arbeiders te bepalen, liet Lewin de arbeiders uiteengaan en knoopte met Fedor een gesprek aan en ondervroeg hem ten opzichte van een rijken boer, Platon geheeten, die weigerde het land te huren, dat hij te voren aan een vereeniging had verpacht en dat het laatste jaar door een boer was bebouwd.
"De prijs is te hoog, Constantin Dimitritsch," zeide Fedor.
"Maar waarom heeft Mitionik dien het laatste jaar betaald?"
"Platon zal niet denzelfden prijs betalen als Mitionik," zeide de arbeider op af keurenden toon; de oude Platon zou zijn naaste niet het vel over de ooren halen; hij heeft medelijden met den geringen man en zou hem, als het noodig was, crediet geven."
"Waarom zou hij crediet geven?"
"De menschen zijn niet allen gelijk: de een leeft voor zijn buik, zooals Mitionik, de ander voor zijn ziel, voor God, zooals de oude Platon."
"Wat noem je voor zijn ziel, voor God leven?" vroeg Lewin haastig op luiden toon.
"Dat is eenvoudig: leven volgens Gods wil, volgens de waarheid. Niet allen doen zoo, dat is zeker, maar sommigen wel. U, bijvoorbeeld, Constantin Dimitritsch, u zou geen onrecht doen, ook niet tegen den geringen man."
"Ja, ja … vaarwel!" prevelde Lewin, ten prooi aan een levendige gemoedsbeweging, en zijn stok nemende, richtte hij zijn schreden huiswaarts.
"Leven voor God, volgens de waarheid … voor zijn ziel," deze woorden van den boer vonden weerklank in zijn hart; en onduidelijke gedachten, maar waarvan hij het heilrijke gevoelde, bewogen zich in zijn geest; zij ontsnapten uit een schuilhoek van zijn ziel, waar zij langen tijd waren besloten geweest, om nu een nieuw licht voor hem to doen opgaan.