← Table of contents
Anna Karenina

XVI.

Reading edition · Edition 2

In weerwil dat Wronsky's innerlijk leven geheel door zijn hartstocht was ingenomen, rolde zijn ander leven in het gewone spoor der militaire belangen en die van het conversatieleven onveranderd daarheen. Zijn regiment was hem lief en hij was daarin ook bemind; en meer dan dat, men achtte hem en was trotsch op hem, te meer, daar men wist, dat hij, door zijn buitengewonen rijkdom, zijn uitstekende, zorgvuldige opvoeding en beschaving zich den weg tot de hoogste maatschappelijke eereplaatsen zag geopend, maar dat hij dat alles klein achtte en met zijn hart slechts aan zijn regiment en zijn kameraden hing. Wronsky was zich deze goede meening zijner kameraden wel bewust en gevoelde zich daarom te meer verplicht die meening te behouden.

Natuurlijk sprak hij met geen zijner kameraden van zijn liefde en verried ze ook niet bij de vroolijkste feestgelagen, te meer daar hij nimmer zooveel dronk, dat hij de heerschappij over zich zelf verloor, en als eens iemand onbedacht op zijn liefdesbetrekking zinspeelde, wist hij hem spoedig den mond te stoppen. Evenwel was zijn liaison door de geheele stad bekend; allen wisten meer of minder van zijn verhouding tot mevrouw Karenin. De jonge mannen benijdden hem er om, te meer, daar Karenin zulk een hooge maatschappelijke positie innam en derhalve deze liaison in de groote wereld des te meer opzien baarde.

Ook vele jonge vrouwen benijdden Anna; andere, die het al lang niet meer hadden kunnen verdragen, dat men steeds hare strenge ingetogenheid roemde, verheugden zich over haar vermoedens en verbeidden nu den vroeg of laat te wachten omkeer der openbare meening, om zich dan met het geheele gewicht harer verachting op haar te kunnen storten; zij hielden de modderkluiten al gereed, waarmede zij haar, zoodra de tijd gekomen was, wilden werpen. De meeste oudere en hooggeplaatste personen waren daarentegen ontevreden over het in aantocht zijnde schandaal.

Toen Wronsky's moeder de minnarij van haar zoon vernam, was zij aanvankelijk daarmede zeer tevreden; want naar haar meening werd door niets zoozeer de laatste schaaf gelegd aan een jongen man van de wereld, als door een liefdesbetrekking met een vrouw uit de hoogste kringen. Toen zij echter later hoorde, dat haar zoon een voor zijn verdere carrière hoogst gewichtige betrekking had afgewezen, alleen om bij zijn regiment en in de nabijheid van mevrouw Karenin te blijven en vernam, dat zich tengevolge daarvan eenige hooggeplaatste personen ontevreden over hem hadden uitgelaten, toen werd haar oordeel gewijzigd. Ook beviel het haar niet, dat, naar al wat zij vernomen had, het hier geen luchtige, aardige en pikante liefdesaffaire gold, maar een wanhopigen ernstigen, Wertherschen hartstocht, die, zooals men haar zeide, allerlei domme consequentiën tengevolge kon hebben. Zij had hem sedert zijn onverwachte terugkomst uit Moskou nog niet weergezien en had hem derhalve nu door haar oudsten zoon laten verzoeken bij haar te komen. Ook de oudste broeder was over den jongsten niet tevreden. Het was hem volkomen onverschillig, welk een soort van liefde het was, of groot of gering, of hartstochtelijk of kalm, of misdadig of platonisch, want hij zelf onderhield, hoewel hij een familie bezat, een danseres en oordeelde derhalve zeer toegevend; maar hij wist dit eene, dat het een liaison was, die dezulken mishaagde, wier gunst men zoeken moest, en daarom keurde hij het gedrag zijns broeders af.

Behalve zijn dienstplichten en sociale bezigheden had Wronsky nog een hartstocht, namelijk voor schoone paarden. Dit jaar was een wedren met hindernissen onder de officieren vastgesteld. Wronsky had zich laten inschrijven, had een Engelsche volbloedmerrie gekocht en was nu in weerwil van zijn liefdehandel vervuld van hartstochtelijke gedachten aan den ophanden zijnden wedren. Deze beide passiën stonden elkander volstrekt niet in den weg.

In den morgen van den wedrendag kwam Wronsky vroeger dan gewoonlijk in de groote zaal der officierssocieteit om een beefsteak te gebruiken. Hij behoefde zich niet ruim te voorzien, want hij had juist de voorgeschreven lichaamszwaarte, maar mocht ook niet zwaarder worden, en daarom onthield hij zich van alle gebak en zoetigheden. Hij had den jas, waaronder hij een wit vest droeg, loshangen en terwijl hij met de armen op de tafel leunend op het bestelde beefsteak wachtte, zag hij in den Franschen roman op zijn bord. Hij las om zich niet met de in- en uitgaande officieren te moeten inlaten.

Hij dacht er aan, dat Anna hem heden na den wedren een rendez-vous had beloofd. Reeds sedert drie dagen had hij haar niet gezien. Hij reed niet gaarne naar Karenins landhuis. Het laatst had hij haar bij zijn nicht Betsy ontmoet. Nu echter besloot hij haar in het landhuis op te zoeken en overdacht, hoe hij dat zou aanleggen, daar, zooals hem bekend was, Karenin intusschen van het buitenland was teruggekeerd.

"Nu, ik zal zeggen, dat Betsy mij gezonden heeft om te vragen, wanneer zij voor den wedren zal komen," zoo besloot hij eindelijk, en zich tot den knecht wendend, die hem op een warmen zilveren schotel het beefsteak aanbood, zeide hij: "Zend iemand naar mijn huis. Men moet de kales met drie paarden inspannen."

Toen trok hij den schotel naar zich toe en begon te eten, terwijl hij voortging in het naast zijn bord liggend boek te lezen.

Op dit oogenblik kwam een lang, statig officier, de ritmeester Jawschin, de kamer binnen en naderde Wronsky. "Ha! daar is hij toch!" zeide hij en sloeg hem krachtig op de epaulet. Wronsky keerde zich geërgerd om, maar zijn gelaat helderde dadelijk op, toen hij Jawschin zag. Deze ging naast hem zitten; zijn door nauwe rijlaarzen omsloten beenen waren voor de stoelhoogte te lang en staken in spitse hoeken omhoog.

"Waarom ben je gisteren niet in den rooden schouwburg geweest? Rumerowa was niet kwaad. Waar heb je gezeten?"

"Ik had me bij de Twersky's wat verlaat."

"O!" was al wat Jawschin antwoordde.

Jawschin was een speler en verkwister en niet slechts een mensch zonder beginselen, maar iemand met zedelooze beginselen, doch in het regiment Wronsky's beste kameraad. Hij hield van hem vooral om zijn physieke kracht, die hem in staat stelde een ongehoorde hoeveelheid wijn te drinken, den slaap te ontberen en toch altijd dezelfde te blijven; maar ook in zijn verhouding tot zijn superieuren en kameraden wist Jawschin allen respect in te boezemen en evenzoo in het spel, waarin hij tienduizenden waagde en in weerwil van het sterkste drinken steeds de noodige fijnheid en zekerheid behield, zoodat hij in de Engelsche club als de eerste speler werd geroemd. Niettegenstaande hun verschillende levensbeschouwing droeg Wronsky hem daarom bizondere genegenheid en achting toe, omdat hij volkomen overtuigd was, dat hij alleen hem niet benijdde en hem niet zocht om zijn naam en rijkdom, maar om zijns zelfs wil. Onder alle menschen zou Wronsky alleen met hem over zijn liefde hebben willen spreken; want het scheen hem toe, dat Jawschin alleen den grooten hartstocht, die thans zijn leven innam, kon begrijpen. Daarbij kwam zijn overtuiging, dat hij in gebabbel en schandalen niet het minst genoegen vond en dat hij de liefde niet voor een aardigheid en bloot tijdverdrijf hield, maar voor een kaart, waarop men het geheele levensgeluk gezet had.

Wronsky had niet met Jawschin over zijn liefde gesproken, maar bemerkte evenwel, dat deze alles wist, alles begreep, en het was hem aangenaam dat in zijn oogen te kunnen lezen. "O!" dit was alles wat hij op Wronsky's verklaring, dat hij zich bij de Twersky's had verlaat, geantwoord had, en terwijl zijn zwarte oogen flikkerden, greep hij de linker punt van zijn knevel en stak ze volgens een slechte gewoonte, die hij had, in den mond.

"En gij? Wat deedt je gisteren? Heb je weer gewonnen?" vroeg Wronsky.

"Achtduizend, maar drie daarvan is kwaad geld. Ik twijfel, of ze betaald worden."

"Dan kun je ze vandaag weer door mij verliezen," zei Wronsky schertsend. Jawschin had namelijk op Wronsky's overwinning bij den wedren een hooge weddenschap aangegaan.

"Ik zal in geen geval verliezen. De eenige, die je gevaarlijk is, is Machatin."

En het gesprek liep nu over den ophanden zijnden wedren.

"Kom, ik ben gereed," zeide Wronsky, stond op en ging naar de deur. Ook Jawschin stond op en rekte zijn lange leden uit. "'t Is mij nog te vroeg om te eten. Maar ik moet wat drinken. Ik volg je dadelijk. Hei! wijn!" riep hij met zijn beroemde commandostem, dat de vensterruiten rinkelden. "Neen niet noodig!" riep hij dadelijk weer. "Ga je naar huis, dan ga ik mee!" en hij ging met Wronsky heen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings