VIII.
Reading edition · Edition 2
Toen Anna's gasten haar verlaten hadden, was zij in haar kamer op en neer gegaan. Hoewel zij, onbewust, zooals in den laatsten tijd jegens alle jonge mannen, den geheelen avond al het mogelijke gedaan had om Lewin op haar verliefd te maken en hoewel ze wist, dat haar dit gelukt was, voor zoover dit bij een, rechtschapen, getrouwd man mogelijk was, en hoewel ook hij haar bevallen was ondanks zijn scherpe tegenstelling met Wronsky (maar zij zag in hen slechts, wat zij met elkander gemeen hadden, waarom ook Kitty beiden, zoowel Lewin als Wronsky, had kunnen liefhebben—) toch hield zij, zoodra hij de kamer verlaten had, terstond op aan hem te denken. Slechts eene gedachte bleef haar bij, die haar onder de verschillende gestalten vervolgde:
"Indien ik zulk een indruk op andere mannen maak, op deze man, die uit liefde gehuwd is,—waarom is hij dan zoo koud tegen mij? of indien al niet koud—ik weet, dat hij mij liefheeft—maar een zeker iets scheidt ons. Waarom is hij den geheelen avond weer niet te huis? Hij liet mij door Stiwa zeggen, dat hij Jawschin niet verlaten mocht.—Nemen wij aan, dat dit de ware reden is—hij spreekt nooit onwaarheid—maar in deze waarheid ligt nog iets anders. Hij verheugt zich over de goede gelegenheid om mij te toonen, dat hij nog plichten heeft. Dat weet ik. Dat vind ik ook goed. Maar waarom moet hij mij dat bewijzen? Ik behoef geen bewijs, ik wil slechts liefde. Hij moest toch al het netelige van mijn leven hier in Moskou inzien! Leef ik dan? Ik ben steeds in gespannen verwachting, ik ben in afwachting van de beslissing, die altijd weer op nieuw wordt uitgesteld. Nog steeds is er geen antwoord, en Stiwa zegt, dat hij niet naar Alexei Alexandrowitsch kan gaan, en ik kan niet voor de tweede maal schrijven. Ik kan niets doen, niets beginnen, niets veranderen, ik moet mij goed houden, hopen en wachten en afleiding zoeken, maar dit alles: de opneming der Engelsche familie, het schrijven en lezen, alles, alles is slechts bedrog, en het een zoowel als het ander slechts morphium! En dat had hem toch leed moeten doen!" sprak zij en gevoelde, dat haar de tranen van medelijden met zich zelf in de oogen kwamen.
Zij hoorde het kortafgebroken schellen van Wronsky, en snel haar tranen drogend, ging zij voor de lamp zitten, opende een boek en deed haar best om kalm te schijnen. Zij wilde geen strijd, maar beschuldigde hem, dat hij dien wilde en nam dus onwillekeurig een strijdvaardige houding aan. Zij moest hem toch toonen, dat zij ontevreden over hem was, omdat hij niet op den beloofden tijd te huis was gekomen; zij wilde hem haar ontevredenheid, maar in geen geval haar droefheid toonen. Zij kon wel medelijden met zich zelf hebben, maar hij mocht dat niet.
"Nu? Heb je je niet verveeld?" vroeg hij vroolijk en opgewekt en wierp een pakket op de spiegeltafel! "Welk een vreeselijke harstocht is het spel toch!"
"Neen, ik heb mij niet verveeld. Ik heb het reeds lang verleerd mij te vervelen. Stiwa is hier geweest met Lewin."
"Ja, zij wilden je bezoeken. Hoe is Lewin je bevallen?" zeide hij en ging naast haar zitten.
"Zeer goed. Zij zijn eerst zooeven weggereden. Hoe heeft Jawschin het toch gemaakt?"
"Hij had reeds zeventienduizend gewonnen; ik wilde hem meenemen en had hem reeds tot aan de deur; maar toen keerde hij nog eens terug en heeft nu weer alles en nog meer verloren."
"Waarom ben je daar dan gebleven?" vroeg zij, plotseling naar hem opziende. Haar gezicht vertoonde een koude, vijandige uitdrukking. "Je hebt toch gezegd, dat je daar wildet blijven om Jawschin weg te brengen. En nu heb je hem er toch gelaten."
Ook zijn gelaat nam dezelfde koude, strijdvaardige uitdrukking aan.
"Ten eerste heb ik Stiwa niet verzocht u een boodschap over te brengen en ten tweede spreek ik nooit onwaarheid. De hoofdzaak was, dat ik blijven wilde en ik ben gebleven," antwoordde hij het voorhoofd fronsend. "Anna, waarom? waarom dat?" vroeg hij na een kort zwijgen. Hij boog zich naar haar toe en opende de hand in de hoop dat zij toeslaan zou.
Zij verheugde zich over deze tegemoetkoming; maar een eigenaardige, booze macht weerhield haar, haar eerste neiging te volgen, alsof te wetten van den strijd haar niet veroorloofden toe te geven.
"Waarlijk! je wildet blijven en zijt ook gebleven. Je doet alles, wat je wilt. Maar waarom moet je mij dat zeggen? Waartoe?" vroeg zij, meer en meer in vuur gerakend. "Wil dan iemand u dat recht betwisten? Maar je wilt gelijk hebben, dus ik geef je gelijk."
Zijn hand sloot zich en zijn gelaat nam een uitdrukking van verbeten toorn aan.
"Bij u is het niets dan eigenzinnigheid," zeide zij, plotseling voor deze haar steeds prikkelende gelaatsuitdrukking een naam vindende; "niets als eigenzinnigheid. Bij u komt het er slechts op aan overwinnaar te blijven, terwijl ik…." Weder had zij zooveel medelijden met zich zelf, dat zij bijna weende. "Als ge wist, wat het voor mij beteekent, wanneer ik zie, hoe gij u, zooals nu, vijandig van mij afkeert, als gij wist, wat dat voor mij beteekent! Hoe ik in zulk een oogenblik een ongeluk nabij ben, hoe ik bang ben voor mij zelf…" en zij wendde zich af om haar snikken te verbergen.
"Waarom dan dit alles?" vroeg hij, ontsteld over de uitdrukking harer vertwijfeling en boog zich weer tot haar neer; hij nam haar hand en kuste ze. "Waarom? Zoek ik misschien buitenshuis verstrooiing? Vermijd ik dan niet alle verkeer met dames?"
"Dat moest er ook nog bijkomen!" riep zij uit.
"Nu, zeg mij dan, wat ik doen moet om je tot rust te brengen? Ik ben tot alles bereid, als gij slechts gelukkig zijt," zeide hij, geroerd door haar vertwijfeling. "Wat zou ik niet willen doen om u van een smart als de tegenwoordige te bevrijden, Anna!"
"Neen, neen!" antwoordde zij. "Ik zelf weet niet…. Is het het eenzame leven…. De zenuwen….? Maar spreken wij daar niet meer van. Hoe is het bij den wedren gegaan? Je hebt er mij nog niets van verteld," zeide zij en deed haar best om de vreugde over de overwinning, die toch aan haar zijde was, te verbergen.
By het souper vertelde hij haar de bizonderheden van den wedren, maar aan zijn toon en zijn gelaat, die steeds ernstiger en kouder werden, bespeurde zij, dat hij haar haar overwinning niet vergeven had en dat het gevoel van eigenzinnigheid, waarmede zij hem had bestreden, zich ook bij hem weer begon te doen gelden. Hij werd nu des te koeler tegen haar, naarmate het hem berouwde zich aan haar te hebben onderworpen.
Maar zij, aan de woorden denkende, die haar de overwinning hadden doen behalen: "een vreeselijk ongeluk hangt mij boven het hoofd en ik ben bang voor mij zelf—" begreep, dat dit een ook voor haar gevaarlijk wapen was, dat zij niet een tweeden keer zou durven gebruiken. En zij gevoelde, dat te gelijk met de liefde, die hen verbond, een booze geest van strijdlust zich tusschen hen gesteld had, die zij noch uit zijn en nog minder uit haar eigen hart vermocht te verdrijven.