← Table of contents
Anna Karenina

XXV.

Reading edition · Edition 2

Wronsky en Anna reisden sedert drie maanden te zamen in het buitenland; zij hadden Venetië, Rome en Napels bezocht en waren nu in een kleine Italiaansche stad aangekomen, waar zij eenigen tijd dachten te vertoeven.

Een statige maître d'hôtel met het haar vol pommade en in het midden tot aan den nek toe gescheiden, met zwarten rok, breed voorhemd en breloques, die op den ronden buik bengelden, antwoordde onverschillig, met de handen in den zak, op de vragen, die een heer tot hem richtte.

Schreden op de trap aan den anderen kant van het perron deden den schitterenden majordomus omkeeren, en toen hij den Russischen graaf bemerkte, den huurder van het fraaiste appartement van het hotel, trok hij de handen uit zijn zakken en eerbiedig buigende deelde hij den graaf mede, dat de bode was komen berichten, dat de opzichter van het palazzo, waarover men in onderhandeling was, bereid was het huurcontract te teekenen.

"Zeer goed." zeide Wronsky. "Is madame te huis?"

"Madame is uit geweest, maar zij is juist te huis gekomen," antwoordde de maître d'hôtel.

Wronsky nam zijn slappen hoed met breeden rand af, wischte met zijn zakdoek langs zijn voorhoofd en over zijn haar, dat naar achter was gestreken om zijn kaalheid te verbergen, en wilde toen verder gaan, terwijl hij een verstrooiden blik wierp op een heer, die hem stond op te nemen.

"Mijnheer is een Rus en heeft naar u gevraagd," zeide de maître d'hôtel.

Wronsky keerde zich nog eens om, ontstemd omdat het hem maar niet gelukken wilde ontmoetingen te vermijden, maar aan den anderen kant verheugd een afleiding te vinden, welke die dan ook zijn mocht; zijn oogen en die van den vreemde begonnen op eens te stralen:

"Golinitschef!"

"Wronsky!"

Het was inderdaad Golinitschef, een kameraad van Wronsky uit het page-corps; hij behoorde er tot de liberale partij en had het met een civielen graad verlaten zonder het minste plan om in dienst te treden. Sedert hadden zij elkander slechts eenmaal ontmoet. Bij die enkele ontmoeting had Wronsky gemeend, dat zijn vroegere kameraad van de hoogte zijner uiterst liberale beginselen de militaire loopbaan verachtte; hij had hem daarom koel en uit de hoogte behandeld, hetgeen Golinitschef onverschillig had gelaten, maar hen niet had doen wenschen elkander weder te zien. En toch was het met een uitroep van vreugde, dat zij elkander herkenden. Misschien was Wronsky zich er van bewust, dat de oorzaak van zijn blijdschap bij het wederzien van Golinitschef gelegen was in de vreeselijke verveling, waaraan hij zich ten prooi gevoelde; maar het verleden vergetende, reikte hij hem de hand, en de ietwat beklemde uitdrukking in Golinitschefs gelaat maakte plaats voor die van blijkbare voldoening.

"'t Doet me bizonder genoegen je te zien!" zeide Wronsky met een gullen glimlach, die zijn fraaie tanden zichtbaar maakte.

"Men heeft mij je naam genoemd, ik wist niet, of gij het waart; het verheugt mij zeer."

"Maar kom binnen. Wat doe je hier?"

"Ik ben hier sedert een jaar. Ik werk."

"Waarlijk?" zeide Wronsky met belangstelling. "Laat ons toch binnen gaan."

En volgens de aan Russen eigen gewoonte Fransch te spreken als zij niet door de bedienden verstaan willen worden, zeide hij in het Fransch:

"Je kent Anna Karenina? Wij reizen te zamen, ik wilde juist naar haar toegaan." En terwijl hij sprak, gaf hij nauwkeurig acht op Golinitschefs gelaat.

"Ah zoo! dat wist ik niet," antwoordde hij onverschillig. (Hij wist het zeer goed.)

"Ben je al lang hier?"

"Drie dagen," antwoordde Wronsky, terwijl hij voortging zijn vriend gade te slaan.

"Hij is een man van opvoeding, die de dingen in het ware licht beschouwt; ik kan hem aan Anna presenteeren," zeide hij bij zich zelf, een gunstige uitlegging gevende aan de wijze, waarop Golinitschef het gesprek had afgeleid.

Sedert hij met Anna reisde, had zich bij elke nieuwe ontmoeting hetzelfde gevoel van aarzeling van Wronsky bemachtigd; meestal had men de situatie opgevat "zooals zij opgevat moest worden!" Hij zou verlegen gestaan hebben, als hij had moeten verklaren, wat hij daarmede bedoelde. Het eigenlijke was, dat men niets wilde begrijpen en zich tevreden stelde met een bescheiden terughouding zonder toespelingen te maken of vragen te doen, juist zooals het welopgevoede lieden tegenover een kieschen en ingewikkelden toestand betaamt.

Golinitschef behoorde bepaald tot deze beschaafde lieden, en toen Wronsky hem aan Anna had voorgesteld, deed het hem dubbel genoegen hem ontmoet te hebben, daar zijn houding zoo was, dat men die niet beter had kunnen wenschen en klaarblijkelijk zonder dat dit hem de minste inspanning kostte.

Golinitschef kende Anna niet, wier schoonheid en eenvoudigheid hem troffen. Zij bloosde toen zij de beide mannen zag binnentreden, en deze kinderlijke blos bekoorde haar gast uitermate. Hij was verrukt over de natuurlijke wijze, waarop zij haar positie deed blijken door Wronsky bij zijn verkleinnaam Alexei te noemen en te zeggen, dat zij zich gingen inrichten in een huis, dat men den weidschen naam van palazzo gaf, met de houding van iemand, die vermijden wil, dat een vreemdeling omtrent hem in dwaling verkeert.

Golinitschef, die Alexei Alexandrowitsch kende, kon niet nalaten, deze jonge, levendige vrouw, vol energie, gelijk te geven; hij was van oordeel, dat Anna nauwelijks zich zelf begreep, dat zij gelukkig en vroolijk kon zijn al had zij haar echtgenoot en haar zoon verlaten en haar goeden naam verloren.

"Dit palazzo staat in den gids," zeide Golinitschef. "Gij zult er een prachtigen Tintoret volgens zijn laatste manier zien."

"Ik weet wat: het weer is mooi, laten we terugkeeren om het te zien," zeide Wronsky zich tot Anna wendende.

"Zeer gaarne, ik ga mijn hoed halen. Je zegt, dat het warm is?" zeide zij op den drempel van de deur, terwijl zij zich tot Wronsky wendde en op nieuw bloosde.

Wronsky begreep, dat Anna, niet juist wetende wie Golinitschef was, zich zelf afvroeg, of zij wel den juisten toon jegens hem had getroffen.

Hij zag haar lang en teeder aan en antwoordde: "Neen niet te warm."

Anna begreep, dat hij over haar tevreden was, en hem met een glimlach antwoordende, verwijderde zij zich met haar vluggen en bevalligen tred.

De vrienden zagen elkander met een zekere verlegenheid aan; Golinitschef als iemand, die gaarne zijn bewondering zou willen uitdrukken, maar het niet durft, Wronsky als iemand, die een compliment verlangt, maar het toch vreest.

"Je hebt je dus hier gevestigd?" zeide Wronsky, om het een of andere gesprek te beginnen. "Houdt ge u altijd met dezelfde studiën bezig?"

"Ja, ik schrijf het tweede deel van Deux Origines," antwoordde hij bij deze vraag geheel oplevende, "of, om juister te spreken, ik verzamel de stof en maak die gereed. Het zal veel grooter worden dan het eerste deel. Men wil bij ons in Rusland maar niet begrijpen, dat wij de opvolgers zijn van Byzantium…." En hij begon een lange dissertatie.

Het maakte Wronsky verlegen van dit werk niets te weten, waarvan de schrijver sprak als van een bekend boek, maar naarmate Golinitschef zijn denkbeelden ontwikkelde, begon hij er belang in te stellen, hoewel hij met leedwezen de zenuwachtige opgewondenheid bemerkte, die zich van zijn vriend meester maakte. Zijn oogen begonnen vuur te stralen toen hij de argumenten van zijn tegenstanders weerlegde, en zijn gelaat nam een toornige en pijnlijke uitdrukking aan.

Wronsky herinnerde zich Golinitschef in het page-corps; hij was toen klein van gestalte, maar vol vuur en leven; een goede jongen, bezield door edele gevoelens en altijd de eerste in zijn klasse. Waarom was hij zoo prikkelbaar geworden? Wronsky kreeg bijna medelijden met hem.

Golinitschef, die vol was van zijn onderwerp, bemerkte niet eens, dat Anna was binnengekomen. Deze bleef in wandeltoilet en met een parasol in de hand bij de sprekenden staan, en Wronsky was blijde, dat hij het oog van den strakken en koortsachtigen blik van den spreker kon afwenden om het met welgevallen te doen rusten op de elegante gestalte van de vrouw, die hij liefhad.

Het kostte Golinitschef eenige moeite zich zelf weer meester te worden. Maar Anna wist hem spoedig afleiding te geven door haar vroolijk en beminnelijk onderhoud. Zij bracht het gesprek langzamerhand op de schilderkunst, waarover hij als een kenner sprak; aldus kwamen zij wandelende aan het palazzo en gingen het bezien.

"Een ding vind ik heerlijk in onze nieuwe woning," zeide Anna, toen men weer te huis kwam, "namelijk dat je een mooi atelier zult krijgen;—zij tutoijeerde Wronsky in het Russisch in tegenwoordigheid van Golinitschef, dien zij reeds beschouwde als toekomstig lid van den intiemen kring in de eenzaamheid, waarin zij leefden.

"Houdt ge u met schilderen bezig?" vroeg deze, zich levendig tot Wronsky wendende.

"Ik heb er vroeger veel aan gedaan en wijd er mij nu weer zoo wat aan," zeide Wronsky blozende.

"Hij heeft een waar talent," verzekerde Anna met vuur; "ik ben geen bevoegde beoordeelaarster, maar ik weet het van deskundigen."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings