XXII.
Reading edition · Edition 2
De lucht was helder. Den geheelen morgen was er een fijne, dichte regen gevallen, maar nu was het opgeklaard. De daken der huizen, de steenen der trottoirs, de raderen, het leder, het koper en zilver der equipages, alles schitterde helder in de meizon. Het was drie uur en op de straten was het zeer levendig. Bij den snellen draf der schimmels, bij het onophoudelijk rollen der raderen en de snel afwisselende indrukken in de frissche lucht, zag Anna, die nog eenmaal alle gebeurtenissen der laatste dagen van het begin af doorliep, haar toestand reeds geheel anders in, als te voren toen zij te huis was. De gedachte aan den dood was haar niet meer zoo verschrikkelijk en deze zelf niet meer zoo onvermijdelijk. Zij verweet zich nu nog slechts, dat zij zich zoo ver had vernederd.
"Ik heb hem bezworen mij te vergeven; ik heb mij geheel aan hem overgegeven en beleden schuldig te zijn. Waarom? Kan ik dan niet zonder hem leven?" Zij beantwoordde deze vraag niet, maar begon de opschriften in de straat te lezen: "Kantoor en dépôt—Dentist—Ja, ik wil Dolly alles vertellen. Zij houdt niet van Wronsky. Ik zal mij wel schamen en het zal mij pijn veroorzaken, maar ik wil haar toch alles zeggen. Zij heeft mij lief en haar raad zal ik volgen. Ik wil mij niet onderwerpen. Ik zal hem niet toestaan mij te vergeven … Philippow … Bakkerij.—Men zegt, dat zij het brooddeeg naar Petersburg zenden—het Moskouer water moet zoo voortreffelijk zijn.—Metischensky, Mineraalwater en pannekoek…." En nu herinnerde zij zich, dat zij lang geleden, toen zij pas zeventien jaar was, met haar tante—men reisde toen nog met paarden—naar het klooster te Troïtza was gereden en toen hier was gepasseerd." "Is het mogelijk," dacht zij, dat ik dat was? Dat meisje met roode handen? Hoeveel, dat mij toen zoo begeerlijk en onbereikbaar scheen, is mij nu onverschillig, maar hoeveel dat ik toen bezat, is nu voor mij verloren—voor altijd! Zou ik destijds hebben kunnen gelooven eenmaal zoo vernederd te worden?—Wat zal hij trotsch en tevreden zijn als hij mijn brief heeft gezien; maar ik zal hem toonen…. Hoe onaangenaam riekt deze verf! Waarom moet men altijd bouwen en verven?—Modes en coiffures…." las zij. Een man, Annuschka's man, groette haar: "Onze parasieten!" herinnerde zij zich een gezegde van Wronsky: "Onze? Waarom onze?… Het ergste is, dat het onmogelijk is het gebeurde ongedaan te maken…. Maar men kan de herinnering daarvan dooden, begraven…. En dat zal ik…!" En hier herinnerde zij zich haar verloopen leven bij Alexei Alexandrowitsch, dat zij reeds uit haar gedachten had verbannen. "Dolly zal het zoo opvatten alsof ik nu mijn tweeden man wil verlaten, en zal mij voorzeker ongelijk geven. Wil ik dan gelijk hebben? En zij voelde de tranen opwellen. Maar dadelijk dacht zij weder over twee jonge meisjes, die hartelijk lachten, en vroeg, waarover deze wel lachen mochten. Over de liefde? Zij weten nog niet, hoeveel treurigs en vernederends daaraan is verbonden…. Daar is de boulevard! Daar loopen drie jongens … zij spelen … Serëscha. Alles zal ik verliezen en men zal hem mij niet teruggeven…. Ja, ik zal alles verliezen als hij nu niet terugkeert. Wellicht heeft hij zich voor den trein verlaat en is misschien al teruggekeerd. Weder denkt gij er aan u te vernederen," sprak zij tot zich zelf. "Neen ik ga naar Dolly en zeg haar alles rechtuit: Ik ben ongelukkig, ik heb het ook verdiend, ik heb schuld, maar ik ben toch ongelukkig—help mij. Deze paarden en dit rijtuig—het staat mij tegen om er mij van te bedienen—het hoort alles aan hem…. Maar weldra zal ik ze niet meer zien!"
Terwijl zij zoo overlegde, hoe zij Dolly alles zou bekennen en daarbij haar hart nog meer wondde, ging zij de trap op.
"Is er bezoek?" vroeg zij in de voorkamer.
"Catharina Alexandrowna Lewina," antwoordde de bediende.
"Kitty! Dezelfde Kitty op wie Wronsky verliefd was," dacht Anna; "dezelfde Kitty, die hij zich steeds zoo gaarne herinnert. Hij betreurt het haar niet gehuwd te hebben. Maar aan mij denkt hij met wrevel en betreurt het mij ooit te hebben ontmoet."
Dolly kwam haar te gemoet.
"Ah, je bent nog niet vertrokken? Ik wilde je zelf bezoeken," zeide zij. "Vandaag heb ik een brief van Stiwa ontvangen."
"Wij hebben ook een telegram gekregen," antwoordde Anna en zag naar Kitty om.
"Hij schrijft, dat hij niet kan begrijpen, wat Alexei Alexandrowitsch eigenlijk wil, maar hij zou zonder een bepaald antwoord niet vertrekken."
"Ik dacht bezoek bij u te vinden. Kan ik den brief lezen?"
"Ja,—Kitty—" zeide Dolly wat verlegen. "Zij is in de kinderkamer gebleven. Zij is zeer ziek geweest."
"Dat heb ik gehoord. Kan ik den brief lezen?"
"Ja, ik zal hem dadelijk halen. Hij slaat het wel niet af, integendeel, Stiwa heeft hoop…." zeide Dolly en bleef in de deur staan.
"Ik hoop en wensch volstrekt niets," zeide Anna.
"Wat is dat? Kitty acht het zeker vernederend voor zich om mij te ontmoeten?" dacht Anna toen zij alleen was. "Wellicht heeft zij gelijk. Maar als het ook al waar is, mocht zij het mij toch niet toonen, zij, die op Wronsky verliefd is geweest. Ik weet het: in mijn toestand kan geen vrouw, die veel aan welvoegelijkheid hecht, mij ontvangen. Ik weet, dat ik van het eerste oogenblik af alles heb geofferd. Dat is nu mijn loon. O, wat haat ik hem. En waarom ben ik nu hierheen gekomen? Het wordt mij hier nog zwaarder dan te huis."
Zij hoorde in de andere kamer de stemmen der zusters.
"En wat moet ik nu aan Dolly zeggen? Moet ik Kitty de voldoening geven te zien, dat ik ongelukkig ben en dat ik bescherming inroep? Neen, en ook Dolly zal mij niet begrijpen. Ik heb haar niets te zeggen…. Het zou echter niet kwaad zijn Kitty te ontmoeten en haar te toonen, dat ik alles veracht en dat ik voor alles onverschillig ben."
Dolly kwam met den brief terug. Anna las dien en reikte hem zwijgend weer over.
"Dat alles heb ik geweten," zeide zij, "en het interesseert mij in het minste niet."
"Waarom niet? Ik, integendeel heb hoop," antwoordde Dolly en zag Anna uitvorschend aan. Nog nimmer had zij haar in zulk een zonderlingen, opgewonden toestand gezien. "Wanneer zul je vertrekken?"
Anna zag met half toegeknepen oogen voor zich uit en gaf geen antwoord.
"Kitty schijnt zich voor mij te verbergen?" zeide zij met een blik naar de deur, terwijl het rood haar gelaat begon te kleuren.
"Och, dat is onzin! Zij is bij het voeren van het kind, dat nog niet recht goed wil gaan, en ik heb haar aangeraden…. Neen, het doet haar genoegen! Zij zal dadelijk komen," antwoordde Dolly, die weinig aanleg had om te liegen. "Daar is zij."
Toen Kitty vernam, dat Anna er was, had zij niet te voorschijn willen komen. Maar Dolly had haar toch overreed. Met inspanning van al haar kracht trad zij nu binnen, naderde blozend en reikte haar de hand.
"Het doet mij veel genoegen," zeide zij, maar haar stem beefde. Het gevoel van afkeer van deze moreel slechte vrouw en de wensch voor haar niet hard te zijn kampten in haar binnenste en zij was daardoor eenigszins verlegen; maar toen zij Anna's schoon, innemend, ongelukkig gelaat aanschouwde, verdween alle bitterheid en zij gevoelde slechts medelijden.
"Het zou mij niet verwonderd hebben als u ongezind was geweest mij te ontmoeten. Ik ben daaraan reeds gewoon. U is ziek geweest. Ja, uw voorkomen is veranderd," zeide Anna.
Kitty gevoelde, dat Anna haar vijandig aanzag. Des te meer medelijden had zij met haar. Deze vijandschap was haar verklaarbaar uit de onbehagelijke verhouding, waarin Anna, die vroeger haar protegeeren wilde, zich nu tegenover haar bevond.
"Zij spraken over Kitty's ziekte, over haar kind, over Stiwa, maar blijkbaar was er niets, dat Anna belang inboezemde.
"Ik ben gekomen om afscheid te nemen," zeide zij en stond op.
"Wanneer vertrekt u dan?"
Maar weder zonder te antwoordden, wendde Anna zich tot Kitty.
"Ja, het doet mij veel genoegen u gezien te hebben," zeide zij lachend. "Ik heb zooveel van u gehoord, zelfs door uw man. U weet, dat hij mij heeft bezocht," voegde zij er met kwade bedoeling bij. "Waar is hij?"
"Hij is naar buiten vertrokken," antwoordde Kitty blozend.
"Groet hem van mij, groet hem bepaald."
"Zonder verzuim," antwoordde Kitty naïef en zag haar medelijdend in de oogen.
"Nu, vaarwel, Dolly." En terwijl zij deze kuste en Kitty de hand drukte, verwijderde Anna zich haastig, terwijl Dolly haar uitgeleide deed.
"Nog altijd als vroeger, even innemend en zeer schoon," zeide Kitty, toen zij weer met haar zuster alleen was. "Maar zij heeft iets vreemds over zich, iets dat medelijden inboezemt."
"Ja," zeide Dolly! "Maar vandaag gaat er iets bizonders in haar om. Toen ik haar naar de vestibule vergezelde, zag zij er uit alsof zij in tranen zou losbarsten."