← Table of contents
Anna Karenina

IV.

Reading edition · Edition 2

Ook Lewin stond op en voelde bij het gaan, dat zich zijn armen bizonder licht en vast bewogen. Bij het doorloopen van de groote zaal ontmoette hij zijn schoonvader. Druk sprekende en de kennissen groetende, die zij ontmoetten, gingen zij alle kamers door: een groote, waar de speeltafeltjes gereed stonden en de gewone partners een niet hoog spel speelden; de sophakamer, waarin geschaakt werd en waar Sergej Iwanowitsch met een bekende in gesprek was; de billardkamer, waar een vroolijk gezelschap bij den champagne zat en waarbij ook de Petersburger Gagin ging zitten. Zij gingen ook behoedzaam het geluid hunner schreden dempende, door de leeskamer, waar een jonge man met een somber gelaat in de journalen bladerde en een kaalhoofdig generaal in de lectuur verdiept was. Zij kwamen ook in een vertrek, dat de oude vorst de "wijze" kamer noemde, en hier spraken drie heeren ijverig over de laatste politieke berichten.

Hier verliet de oude vorst Lewin en deze begaf zich op weg om Oblonsky en Turowzin op te zoeken, wier gezelschap hem het aangenaamst was.

Hij vond Turowzin in de billardkamer en Stipan Arkadiewitsch in de deur in gesprek met Wronsky.

"Niet, dat zij zich juist verveelt, maar dit onzekere en onbesliste in haar toestand…." hoorde Lewin Wronsky zeggen en wilde zich verwijderen. Maar Stipan Arkadiewitsch riep hem aan: "Lewin!"

Lewin bemerkte in Oblonsky's oogen een vochtigen glans, dien zij altijd hadden, wanneer hij rijkelijk gedronken had of wanneer hij ontroerd was. Nu was het eene en het andere het geval.

"Ga niet weg, Lewin," zeide hij en drukte zachtjes zijn arm. "Hij is mijn intiemste, zoo niet mijn beste vriend," zeide hij tot Wronsky. "Ook gij zijt mij na en zijt mij dierbaar. En ik wensch, dit weet hij, dat ook gij met elkander bevriend zult worden en elkander nader leert kennen, want gij beiden zijt goede menschen."

"Nu, dan blijft ons niets over dan elkander te omhelzen," schertste Wronsky op goedhartigen toon, terwijl hij Lewin de hand reikte.

Deze sloeg snel toe en drukte ze stevig.

"Kellner! Een flesch sect!" riep Stipan Arkadiewitsch.

"'t Doet me veel genoegen," zeide Wronsky; maar ondanks hun wederzijdschen wensch en dien van Stiwa, hadden zij elkander niets te zeggen en beiden gevoelden dat.

"Gij weet, dat hij Anna nog niet kent," zeide Oblonsky tot Wronsky. "Ik breng hem bepaald bij haar. Wij willen er met hem heenrijden."

"Anders gaarne," antwoordde Wronsky, maar ik ben ongerust over Jawschin. Ik moet hier blijven, tot hij klaar is."

"Speelt hij slecht?"

"Hij speelt zonder ophouden en ik ben de eenige, die hem dan terughouden kan."

Stipan Arkadiewitsch nam Lewin onder den arm.

"Hoor eens, doe mij en Dolly en vele andere het genoegen en rijd terstond met mij naar mijn zuster Anna. Zij is te huis. Ik heb het haar reeds lang moeten beloven je eens mee te brengen. Waarheen wilde je van avond anders?"

"Naar niets bizonders. Ik heb Schwijaschsky slechts beloofd met hem naar de landbouwvereeniging te gaan. Wanneer je dus wilt, kunnen wij er heenrijden," antwoordde Lewin.

"Mooi! Ga eens zien, of mijn rijtuig er is," wendde zich Oblonsky tot een societeitsbediende.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings