← Table of contents
Anna Karenina

XXIII.

Reading edition · Edition 2

Anna was reeds vóór Dolly daarheen teruggekeerd. Zij zag haar opmerkzaam in de oogen, alsof zij naar het gesprek met Wronsky wilde vragen. Maar zij vroeg toch niets.

"Nu is het al weer tijd voor het diner," zeide zij. "Wij komen er in 't geheel niet toe elkander te zien. Nu reken ik op den avond. Nu moet men toilet maken. Wij hebben ons in het nieuwe gebouw geheel vuil gemaakt."

Dolly ging in haar kamer, maar het was haar belachelijk te moede. Zij had niets om zich om te kleeden, want zij had haar beste kleed aangetrokken. Om zich nu toch ook voor den middag voor te bereiden, liet zij door haar kamermeisje haar kleed afslaan, stak zich een anderen strik voor en koos andere kanten voor haar hoofd.

"Dat is alles, wat ik doen kon," zeide zij glimlachend tot Anna, toen deze reeds in het derde, weer zeer eenvoudige kleed bij haar binnentrad.

"Ja, wij kleeden ons hier te veel! Alexei is met uw bezoek zoo gelukkig, als anders zelden met iets. Hij is bepaald op u verliefd," zeide Anna. "Maar zijt gij ook niet moede?"

Voor den middag vonden zij ook geen tijd meer om haar gedachten uit te spreken. In het salon vonden zij vorstin Warwara en de heeren in het zwart gekleed; slechts de architect droeg een frak. Wronsky stelde zijn gast den dokter en den Duitschen rentmeester voor. Den architect had zij reeds in het ziekenhuis leeren kennen.

De dikke huishofmeester met zijn rond, gladgeschoren gezicht en zijn witten das kondigde aan, dat er opgediend was. De dames stonden op. Wronsky verzocht Swijaschsky Anna den arm te reiken, terwijl hij zelf Dolly naderde. Wesslowsky kwam Tuschkewitsch voor en bood vorstin Warwara den arm, zoodat Tuschkewitsch, de dokter, de rentmeester en de architect zonder dames bleven.

De eetzaal, het middagmaal, de bedienden, de wijn en de gerechten pasten niet alleen bij de algemeene weelde in dit huis, maar schenen nog grootscher dan al het overige.

Aan Wronsky's blik, zooals hij de tafel overzag en den huismeester met het hoofd teekens gaf, zooals hij Dolly tusschen botwinja en soep liet kiezen, bemerkte deze als ervaren huisvrouw, dat dit geheele diner zonder Anna's toedoen, hoewel onder toezicht van den huisheer zelf tot stand kwam. Van haar hing klaarblijkelijk niet meer af dan van Wesslowsky; Anna, Swijaschsky en Wesslowsky waren allen gasten, die vroolijk datgene genoten, wat voor hen bereid was.

Anna trad slechts als gastvrouw op in de leiding van het gesprek. Tegen deze, voor een huisvrouw aan een kleine tafel en met personen, zooals de rentmeester en de architect, die in een gansch anderen kring thuis behoorden en zich alle moeite gaven zich door de ongewone weelde niet verbluft te toonen en aan het algemeen gesprek zoo weinig mogelijk deel te nemen,—alzoo tegen deze voor een huisvrouw niet gemakkelijke taak was Anna met haar gewonen tact ten volle opgewassen en zij leidde het gesprek met natuurlijke bevalligheid, ja, zooals het Dolly toescheen, zelfs met genoegen.

Het gesprek stokte onder de dischgenooten, behalve van de zijde van den in somber zwijgen verzonken dokter, den architect en den rentmeester, nooit en Dolly gevoelde zich zoo opgewekt en was zoozeer in vuur geraakt, dat zij zelfs een kleur had gekregen en bij later nadenken daarover het niet geheel met zich zelf eens was, of zij ook iets dwaas of aanstootelijks kon gezegd hebben. Swijaschsky bracht het gesprek op Lewin en zijn zonderlinge denkbeelden, dat de machines niet pasten bij den Russischen landbouw en er zelfs storend op werkten.

"Ik heb niet het genoegen dezen heer Lewin te kennen," zeide Wronsky glimlachend, "maar hij zal wel nooit de machines, die hij zoo afkeurt, gezien hebben. Of wanneer hij ze soms gezien en in gebruik gehad heeft, dan zullen het wel geen buitenlandsche, maar de een of andere soort van Russisch fabrikaat geweest zijn. Hoe kan men dan daarover oordeelen?"

"Hij heeft in 't algemeen Turksche denkbeelden!" zeide Wesslowsky lachend tot Anna gewend.

"Ik kan zijn denkbeelden niet verdedigen," zei Darja Alexandrowna met vuur, "maar ik kan zooveel wel zeggen, dat hij een zeer beschaafd man is, die, als hij hier was, zijn denkbeelden wel zou weten te verdedigen. Ik versta dat waarlijk niet."

"Ik houd zeer veel van hem en wij zijn zeer goede vrienden," zeide Swijaschsky met een goedhartig lachje, mais pardon, il est un petit peu toqué; zoo b.v. beweert hij ook, dat de vredegerechten en de Semstwo geheel overbodig zijn, en hij wil aan geen van beide deelnemen."

"Dat is onze Russische onverschilligheid," zei Wronsky, terwijl hij zich in een fijn glas ijswater schonk. "Men gevoelt niet, dat onze voorrechten ons ook plichten opleggen en daarom ontkent men deze plichten."

"Ik ken geen mensch, die strenger in de vervulling van zijne plichten is dan Lewin," zei Dolly, door den aanmatigenden toon van Wronsky aan zijn eigen tafel geprikkeld.

"Ik integendeel," ging Wronsky voort, "ben, zooals u ziet, buitengewoon dankbaar voor de mij bewezen eer, dat men mij, dank zij Nikolaï Iwanowitsch, tot vrederechter benoemd heeft. Ik houd het voor mijn plicht de vergaderingen te bezoeken en de zaak van een boer wegens een zijner paarden schijnt mij even gewichtig als de belangrijkste zaak, die mij zelf betreft. Ik zal het ook voor een eer houden, als men mij als lid in de Semstwo mocht kiezen; ik kan daarmede slechts de voorrechten vergelden, die ik als landheer geniet. Ongelukkig ontbreekt onzen grooten grondbezitters nog te zeer het begrip van de beteekenis, die zij voor het rijk moesten hebben."

Het kwam Dolly zonderling voor te hooren, hoe kalm hij zich aan zijn eigen tafel in zijn recht gevoelde. Zij dacht aan Lewin, die geheel tegenovergestelde inzichten had en met zijn oordeelvellingen aan zijn eigen tafel niet minder beslist was. Maar zij hield van Lewin en daarom was zij geheel aan zijn zijde.

"Dus zullen wij bij de aanstaande verkiezingen op u mogen rekenen," zeide Swijaschsky. "Wij zullen er echter ter rechter tijd zijn moeten, reeds op den achtsten. Als gij mij misschien de eer zoudt willen bewijzen bij mij te komen…."

"Ik ben het met uw zwager ook eenigszins eens," zeide Anna tot Dolly: "ik denk echter niet geheel zooals hij," voegde zij er lachend bij. "Ik meen, wij hebben in den laatsten tijd veel te veel met algemeene, openbare plichten te doen. Vroeger waren er te veel beambten, zoodat er voor iedere zaak een bizondere beambte was; eveneens heeft men nu overal verzorgers van het openbare welzijn. Alexei is nu nauwelijks zes maanden hier en reeds is hij lid van ten minste vijf of zes vereenigingen; hij is voogd, rechter, lid van dorpsbesturen en gezworene. Als dat zoo verder gaat, zal hij voor niets anders meer tijd over hebben. En ik vrees, dat men bij zulk een menigte zaken overal maar een nul kan zijn. Op hoeveel plaatsen zijt gij in het bestuur, Nikolaï Iwanowitsch?" wendde zij zich tot Swijaschsky: "Mij dunkt wel op meer dan twintig."

Anna had schertsend gesproken, maar er klonk toch een zekere bitterheid uit. Dolly, die Anna en Wronsky opmerkzaam gadesloeg, bemerkte dat terstond. Zij had ook bemerkt, dat Wronsky's trekken bij dit gesprek dadelijk een ernstige en vastberaden uitdrukking hadden aangenomen. Hieruit en ook uit de omstandigheid, dat vorstin Warwara het gesprek snel op Peterburger kennissen zocht te brengen, alsook uit de wijze, waarop Wronsky zich in den tuin over zijn werkzaamheden had uitgelaten, besloot zij, dat met deze kwestie van publieke werkzaamheid een geheim verschil van meening tusschen Anna en Wronsky verbonden was.

Het diner, de bediening, de wijnen, alles was voortreffelijk, maar het was zoo, als Darja Alexandrowna het op groote diners en op bals had leeren kennen, het had niets eigenaardigs en natuurlijks; daarom maakte het hier in het gewone leven en in dezen engeren kring op haar een onaangenamen indruk.

Na den middag zat men een tijd lang op het terras. Toen speelde men lawn-tennis. De twee partijen plaatsten zich op den zorgvuldig geëffenden en vastgestampten crocket-ground aan beide zijden van het tusschen twee vergulde zuiltjes gespannen net. Ook Dolly deed een poging om mee te spelen, maar het duurde lang eer zij het spel begreep en toen zij het eindelijk gevat had, was zij zoo moede, dat zij ging zitten en nog slechts bij het spel toekeek. Ook haar partner Tuschkewitsch bleef bij haar, terwijl de anderen nog lang voortspeelden. Swijaschsky en Wronsky speelden zeer goed en met opmerkzaamheid, Wesslowsky het slechtst, maar toch hield zijn lachen en roepen niet op. Hij had, evenals de andere heeren, met verlof der dames zijn jas uitgetrokken, en zijn groote, fraaie gestalte in de witte hemdsmouwen, zijn verhit gelaat en zijn stootende bewegingen bleven haar in de herinnering. Nog toen zij zich 's avonds reeds te bed begeven en de oogen gesloten had, zag zij den op den crocketground rondspringenden Wesslowsky.

Gedurende het spel had Dolly zich weinig vermaakt. De schertsende toon tusschen Anna en Wesslowsky, evenals de algemeene onnatuurlijkheid dezer volwassenen, die hier zonder kinderen een kinderspel speelden, bevielen haar niet. Toch, om de anderen niet te storen en, het ging hoe het ging, den tijd te verdrijven, nam zij, na te zijn uitgerust, weer aan het spel deel en deed, alsof zij er vermaak in schepte. Op dezen dag meende zij met veel betere tooneelspelers dan zij zelf was, komedie te spelen en dacht, dat zij door haar slecht spel de geheele zaak bedierf.

Zij was met het voornemen gekomen om, wanneer het haar geschikt voorkwam, twee dagen te blijven. Maar reeds des avonds, gedurende het spel, besloot zij, reeds morgen weder terug te keeren. De kwellende zorgen der moeder, die zij onderweg zoo verafschuwd had, verschenen haar nu al, nadat zij nauwelijks een dag zonder haar kinderen had doorgebracht, in een geheel ander licht en misten hun uitwerking op haar niet.

Na de thee en een nachtelijk tochtje in de boot trad Dolly haar kamer binnen, trok haar kleed uit en ging zitten om het haar voor den nacht los te maken. Zij gevoelde een groote verlichting.

Het was haar zelfs een onaangename gedachte, dat Anna dadelijk bij haar zou komen. Zij zou gaarne met haar gedachten alleen zijn geweest, maar toen Anna in haar nachtgewaad bij haar kwam, verheugde zij zich toch bij dien aanblik. Nu voor de eerste maal zag zij haar weder geheel natuurlijk en zooals zij haar liefhad.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings