← Table of contents
Anna Karenina

XIX.

Reading edition · Edition 2

De regen had niet lang geduurd en toen Wronsky het dorp binnen reed, scheen de zon reeds weer en de daken der landhuizen en de oude linden in de tuinen aan beide zijden der hoofdstraat blonken in vochtigen glans en het water droop en vloeide lustig van boomen en daken. Hij dacht er niet meer aan, dat deze regen de renbaan had kunnen bederven, maar verheugde er zich veeleer over, daar hij nu zeker was Anna te huis te treffen, en zooals hij hoopte, geheel alleen, want hij wist, dat Alexei Alexandrowitsch eerst onlangs uit het Duitsche bad was teruggekeerd en Petersburg nog niet weer had verlaten. Hij stapte uit en ging, naar zijn gewoonte, om geen opzien te verwekken, in plaats van voor in het huis eerst den achter hetzelve gelegen tuin in.

"Is mijnheer te huis?" vroeg hij aan den tuinman.

"Neen, maar de barina wel. Wil u maar vóór de trappen opgaan; daar zal men u open doen."

"Neen, ik zal de achterdeur maar ingaan."

Hij wilde haar verrassen, daar zij hem niet verwachtte. Voorzichtig voortgaande en den sabel in de hand houdende, naderde hij het van bloemen omgeven terras, dat naar den tuin voerde. Anna zat alleen in de veranda; zij wachtte op de terugkomst van haar zoontje, die uit wandelen gegaan en door den regen overvallen geworden was. Zij had een knecht en een dienstmeisje uitgezonden om hem te zoeken en naar huis te brengen. Zij zat in een rijk geborduurd wit kleed in een hoek der veranda tusschen bloemen en bemerkte den naderenden Wronsky niet. Met het zwartgelokte hoofd gebogen, drukte zij het voorhoofd tegen een kouden verlakten gieter, die op de leuning van het hek stond en dien zij tusschen haar beide fraaie handen hield, waaraan hij de hem zoo wel bekende ringen zag glinsteren. De schoonheid harer gestalte, haar hoofd, haar hals en haar armen frappeerden Wronsky steeds op nieuw. Hij bleef staan en beschouwde haar met verrukking. Zij gevoelde zijn nabijheid, schoof den gieter van zich af en keerde hem een ontgloeiend gelaat toe.

"Wat is het? Gevoelt ge u niet wel?" vroeg hij in het Fransch en naderde haar. Hij wilde op haar toeijlen, maar zich bedenkend, zag hij vooraf naar de balkondeur terug en bloosde, zooals hij somwijlen deed, als hij zich verlegen gevoelde.

"Neen, ik ben volkomen wel," antwoordde zij, stond op en drukte zijn haar toegereikte hand. "Ik had je niet verwacht."

"Mijn God, welke handen!" zeide hij.

"Ge hebt mij verschrikt. Ik ben alleen te huis en wacht op Serëscha, die uit wandelen is gegaan. Zij komen van die zijde." Maar terwijl zij trachtte kalm te schijnen, beefden haar lippen.

"Vergeef mij, dat ik gekomen ben; maar ik wilde dezen dag niet verliezen zonder je gezien te hebben," ging hij in het Fransch voort.

"Wat zoude ik vergeven? Ik verheug mij zoo!"

"Maar gij zijt niet geheel wel, of treurig," zeide hij, zonder haar hand los te laten, en boog zich over haar: "Waaraan hebt ge zooeven gedacht?"

"Steeds aan hetzelfde," antwoordde zij met een lachje. Zij sprak de waarheid; ieder oogenblik, wanneer en waar men haar gevraagd had, waaraan zij dacht, zou zij hebben kunnen antwoorden: "Steeds aan hetzelfde, aan mijn geluk en mijn ongeluk."

Zij vroeg hem naar den wedren, en daar hij haar opgewonden vond, vertelde hij haar, om haar te verstrooien, van de voorbereidselen voor den ophanden zijnden strijd.

"Zal ik het zeggen of niet?" dacht zij, terwijl zij hem in de kalme, zoo liefdevol op haar gerichte oogen zag: "Hij is zoo gelukkig met zijn oogenblikkelijk ondernemen, dat hij nu de ernstige gevolgen niet zal begrijpen, die deze gebeurtenis voor ons hebben moet."

"Maar ge hebt mij nog altijd niet gezegd," zeide hij, plotseling zijn verhaal afbrekend, "waaraan ge dacht, toen ik kwam. Ik smeek je, zeg het mij."

Zij antwoordde niet dadelijk. Zij boog het hoofd licht op zijde en zag hem met haar diepe oogen onderzoekend aan. Haar hand, die met een blad speelde, sidderde. Hij zag dat en zijn gelaat nam die stille en schuchtere uitdrukking aan van onvoorwaardelijke onderworpen toewijding, die haar steeds in hem beviel.

"Ik zou 't hem niet vergeven als hij het niet in zijn vollen omvang kon begrijpen," dacht zij; "beter niets te zeggen. Waarom hem zoo op de proef te stellen." Haar hand speelde nog altijd met het blad en beefde nog sterker.

"Om Godswil," smeekte hij, haar hand grijpend, "spreek toch!"

"Zal ik werkelijk…?"

"Ja, ja, ja…."

Zij boog zich langzaam naar zijn oor en fluisterde zacht eenige woorden; zij zag hem toen strak en onafgewend aan om den indruk harer woorden op hem waar te nemen. Hij verbleekte, wilde spreken, maar begon niet; hij liet haar hand los en boog het hoofd.

"Ja, hij heeft het in zijn geheele beteekenis begrepen," dacht zij en drukte dankbaar zijn hand. Maar zij dwaalde, als zij geloofde, dat deze gebeurtenis voor hem dezelfde beteekenis had als voor haar. Sterker dan ooit overviel hem een gevoel van afkeer tegen iemand, hij wist niet wie die iemand was, Alexei Alexandrowitsch of hij zelf of een ander; hij begreep, dat nieuwe plichten voor hem ontstonden, dat hij haar helpen, haar redden moest, dat het zoo lang door hem met verlangen gewenschte keerpunt nu eindelijk daar was, dat men nu voor den echtgenoot niets meer mocht verbergen en dat men aan den zoo ondragelijk geworden toestand een eind moest maken.

Hij zag haar geroerd en met teedere genegenheid aan, kuste haar hand, stond op en ging zwijgend de veranda op en neder.

"Ja," zeide hij beslist: "Noch gij noch ik beschouwen onze verhouding als een spel. Ons lot is nu beslist. Het is noodig, dat wij aan den leugen, waarin wij leven, een eind maken."

"Een eind aan maken? Hoe er een eind aan maken?" vroeg zij zacht.

Zij was nu weer kalm geworden en een teedere lach verhelderde haar gelaat.

"Gij moet uw man verlaten, wij moeten ons leven vereenigen."

"Het is immers al vereenigd," antwoordde ze bijna onhoorbaar.

"Ja, maar het moet geheel en voor altijd zijn."

"Maar hoe, Alexei? Zeg mij dat…." Zij sprak dat met een soort van spotachtige onderwerping aan haar hopeloozen toestand. "Is er dan in het geheel geen andere uitweg? Ik ben immers de vrouw van mijn man."

"Elke toestand is te veranderen; men moet slechts den vasten wil hebben. Elke toestand is beter dan die, waarin ge nu leeft. Ik zie, hoe ge u kwelt om alles, om de menschen, om uw man, om uw zoon."

"Om mijn man volstrekt niet," zeide zij eenvoudig; "aan hem denk ik in 't geheel niet, hij bestaat voor mij in 't geheel niet."

"Dat zegt ge niet oprecht. Ik ken u. Je kwelt je ook om hem."

"Hij weet het toch niet," zeide zij en plotseling bedekte een vlammend rood haar gelaat; tranen der schaamte drongen uit haar oogen: "Ach, wij willen van hem niet meer spreken."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings