X.
Reading edition · Edition 2
Op de straten was het nog geheel ledig, Lewin ging tot aan het huis der Tscherbatzky's. De inrijpoort was nog gesloten en alles sliep. Hij ging naar het hotel terug, in zijn kamer en bestelde de koffie. Hij beproefde te drinken en een kalatsch er bij te eten, maar dit laatste wilde niet gelukken. Hij trok zijn overjas aan en ging weer naar buiten. Hij wandelde door de straten, terwijl hij elk oogenblik naar de klok zag en blijmoedig naar alle zijden in het rond keek.
Veel van hetgeen hij daarbij opmerkte, had hij vroeger niet gezien. Hoofdzakelijk de schoolkinderen, de grijze duiven, die van de daken op het plaveisel nedervlogen, de met meel bestrooide saïki's (een soort boterkoeken), dien een onzichtbare hand voor het uitstalvenster schoof—dit alles maakte indruk op hem. Deze saïki, twee schoolknapen en de duiven waren voor hem bekoorlijke voorwerpen. Een der knapen liep achter de duiven en keek Lewin lachend aan, de duiven klapten met de vleugels en vlogen weg, in de lucht zweefden enkele kleine sneeuwvlokjes, die glinsterden in de zon en uit de vensters stroomde de geur van verschgebakken brood. Alles was zoo schoon, dat Lewin bijna van blijdschap lachte en weende.
Zoo had hij een geruimen tijd de straten doorgewandeld en eindelijk was het twaalf uur geworden. Hij nam een droschke en reed naar de Tscherbatzky's.
De portier wist alles reeds volkomen. Dat was aan den glimlach te bespeuren, waarmede hij zeide: "U is in lang niet bij ons geweest, Constantin Dimitritsch."
"Allen reeds opgestaan?"
"Kom u binnen!"
"Bij wien beveelt u, dat ik u aandien?" vroeg de bediende.
Deze bediende was nog een jonge, praatzieke vlasbaard, maar toch een best mensch, die alles ook goed begreep.
"Bij den vorst—bij de vorstin—bij de prinses"—antwoordde Lewin.
De eerstvolgende persoon, die hij ontmoette, was mademoiselle Linon. Zij ging door de zaal en haar lokken en gezicht blonken. Hij wilde haar juist aanspreken, toen op dat oogenblik het geruisch van een kleed zich achter de deur liet hooren en mademoiselle Linon verdween uit zijn oogen. De blijde verwachting van zijn naderend geluk doortrilde hem. Mademoiselle haastte zich weg te komen en liet hem alleen. Nauwelijks was zij heengegaan, toen snelle, zeer snelle schreden op het parket werden gehoord en—zijn geluk, zijn leven, het beste deel van hem zelf naderde hem haastig, zeer haastig. Zij ging niet, zij vloog hem door een onzichtbare hand opgeheven te gemoet. Zij stond voor hem, hief haar armen op en sloot ze in elkander. Zoo snel zij kon, was zij naar hem toegeijld en gaf zich verheugd en schuchter geheel aan hem over. Hij omhelsde haar en drukte zijn lippen op de hare, die zijn kus zochten.
Ook zij had den geheelen nacht niet geslapen en hem den geheelen langen morgen verwacht. De ouders stemden volkomen toe en waren gelukkig in haar geluk.
"Kom mee naar mama," zeide zij en greep zijn hand. Hij vermocht een geheele poos niets te zeggen, niet omdat hij vreesde door woorden de diepte zijner gevoelens te kort te doen, maar veeleer, omdat telkens, als hij spreken wilde, tranen zijn stem verstikten. Hij greep haar hand en kuste ze.
"Is dit werkelijkheid?" vroeg hij met doffe stem. "Ik kan het in het geheel niet vatten, dat jij mij bemint!"
Zij lachte tevreden bij dit "jij" en over de schuchterheid, waarmede hij haar beschouwde.
"Ja!" zeide zij langzaam, vol beteekenis: "Ik ben zoo gelukkig."
Zonder zijn hand los te laten, ging zij met hem het salon binnen. De vorstin begon, toen zij haar zag, snel adem te halen, daarop te weenen en terstond weer te lachen; toen ijlde zij hem te gemoet, kuste hem en bevochtigde zijn wangen met tranen.
"Dus alles tot een goed einde! Ik verheug er mij over. Ik houd veel van u!"
"Vlug gegaan!" zeide de oude vorst, trachtende onverschillig te schijnen; maar Lewin bemerkte, toen hij zich tot hem wendde, dat ook zijn oogen vochtig waren.
"Dat heb ik lang en nimmer iets anders dan dat gewenscht," zeide hij, Lewins hand grijpend: "Ook toen, toen deze dwaze…."
"Papa!" riep Kitty uit en hield hem den mond met haar hand dicht.
"Nu, dan zal ik niet …" zeide hij; "ik verheug mij … boven mate … ach, wat ben ik dom."
Hij omhelsde Kitty, kuste haar gelaat, haar hand en bekruiste haar.
Een nieuw gevoel van genegenheid voor dezen hem anders vreemden man werd in Lewin opgewekt, toen hij zag, hoe teeder en lang Kitty zijn vleezige hand kuste.—
De vorstin was de eerste, die alles bij zijn naam noemde en hun gedachten op de practische levensvragen vestigde. Dit kwam allen in het eerste oogenblik recht zonderling en onaangenaam voor.
"Wanneer wilt ge de verloving ingezegend en afgekondigd hebben? En laat ons overleggen, wanneer de bruiloft kan gehouden worden. Wat dunkt u, Alexander?"
"Dat moet hij bepalen," zeide de oude vorst en wees op Lewin. "Hij is daarbij de hoofdpersoon."
"Wanneer?" vroeg Lewin blozend; "als u mij vraagt, dan wensch ik vandaag het inzegenen en morgen de bruiloft."
"Nu, mijn lieve Lewin, dat is onzin."
"Nu, dan de volgende week."
"Hij is als waanzinnig!"
"Waarom toch?"
"Mijn lieve hemel!" zeide de moeder vroolijk lachend om zijn haast: "En het uitzet?"
"Moet er dan werkelijk een uitzet en al dat andere zijn?" dacht Lewin ontsteld. "Waarom zou dat alles mijn geluk bederven?" Hij zag Kitty aan en zag dat de gedachte aan het uitzet haar niet het minst had beleedigd. "Dan moet het wel zoo zijn!" dacht hij.
Nadat de ouders hen hadden verlaten, naderde hij zijn bruid en greep haar hand. Hij was nu weer tot zich zelf gekomen en kon weer spreken en hij moest haar zooveel zeggen. Maar hij zeide altijd iets anders, dan noodig was.
"Ik wist, dat het zoo zou komen. Ik waagde nooit te hopen, maar innerlijk was ik er toch van overtuigd," zeide hij. "Ik geloof, dat het was voorbeschikt."
"En ik," zeide zij, "reeds toen…." Zij stokte, maar hem met haar oprechte oogen vastberaden aanziende, ging zij voort: "Ja toen reeds, toen ik mijn geluk van mij stiet, heb ik slechts u alleen lief gehad, maar ik was verblind. Ik moet het uitspreken: kunt ge dat vergeten?"
"Wellicht strekte het tot ons best. Ook gij moet mij veel vergeven. Ik moet u zeggen…."
Hij was dadelijk besloten haar twee dingen te bekennen, namelijk dat hij niet zoo zedelijk rein was als zij, en dat hij in godsdienstig opzicht niet geloovig was. Dat was onaangenaam, maar hij achtte het zijn plicht haar zoowel het eene als het andere dadelijk te biechten.
Hun gesprek werd door mademoiselle Linon gestoord, die met een overdreven vriendelijke, maar ook hartelijke, lachende uitdrukking in het gelaat, haar lievelingsleerlinge kwam gelukwenschen. Toen kwamen de aanverwanten en daarop begon die gelukkige en woelige drukte, waarvan Lewin voor den dag der bruiloft niet weer bevrijd zou worden. Deze drukte verveelde hem somwijlen, maar het gevoel van zijn geluk werd bij hem steeds levendiger. Hij had gedacht, dat zijn verloving niets gemeen zou hebben met die van anderen, maar eindelijk deed hij toch slechts hetzelfde, wat anderen deden.
"Maar nu zouden we bonbons kunnen eten," had mademoiselle Linon gezegd, en Lewin reed weg en ging bonbons koopen.
"Ik verheug me bizonder!" zeide een goede kennis. "Ik raad je aan de bouquetten bij Fomin te koopen."
"Zoo? Is dat noodig?" En hij reed naar Fomin.
Zijn broeder zeide: "Gij moest zorgen wat voorraad van geld te hebben, omdat er vele uitgaven zullen komen, geschenken…."
"Wat? Zijn geschenken noodig?" En hij liep in een galop naar Fuda; en overal zag hij, dat men hem verwacht had, dat men zich verheugde en hem voor den gelukkigsten mensch ter wereld hield.
Een gelijke ondervinding had ook Kitty. Toen gravin Nordston zich eens veroorloofd had aan te duiden, dat zij voor Kitty iets beters gewenscht had, wond zij zich zoo op en bewees haar zoo overtuigend, dat er in de wereld niets beters dan Lewin was, dat de gravin dit moest toestemmen en in het vervolg in Kitty's tegenwoordigheid Lewin steeds met een lachje der grootste ingenomenheid begroette.
De biecht, die hij Kitty beloofd had, was in dezen tijd een zeer gewichtige gebeurtenis. Hij had met den ouden vorst raad genomen en met instemming van dezen overhandigde hij Kitty zijn dagboek, waarin hij alles wat hem kwelde, had neergeschreven; hij had het geheel met het oog op zijn toekomstige vrouw geschreven. Zoo als gezegd is, waren het vooral twee dingen, die hem drukten: zijn ongeloof en zijn gemis van onschuld. De bekentenis van het eerste maakte niet veel indruk op haar; zij was godsdienstig, had nimmer aan de waarheden van den godsdienst getwijfeld, maar zijn ongeloof aan de waarde van de uitwendige instellingen der kerk trof haar niet, omdat zij zijn hart kende en daarin alles vond, wat zij wenschte, en dat zulk een gesteldheid des gemoeds ongeloof heette, was haar onverschillig. Maar om de andere bekentenis had zij bitter geweend.
Lewin had een zwaren inwendigen strijd gehad, vóór hij haar zijn dagboek overgaf. Maar er mocht tusschen hen geen geheim bestaan; dat het zulk een diepen indruk op haar maken konde, had hij niet vermoed. Toen hij eens op een avond uit den schouwburg kwam, zag hij een beschreid treurig gelaat vol droefheid, die hij haar had veroorzaakt en niet weer goed kon maken; toen zag hij de klove, die zijn verleden van haar engelenreinheid scheidde, en hij was ontroerd over hetgeen hij gedaan had.
"Neem het, neem het weg dit hatelijk boek!" zeide zij, het voor haar liggend beschreven boek van zich schuivend. "Waarom hebt ge het mij gegeven?—Maar neen, het is toch beter zoo," voegde zij er uit medelijden met de vertwijfeling, die uit zijn gelaat sprak, bij: "maar het is verschrikkelijk!"
Hij boog het hoofd en zweeg. Hij wist niets te zeggen.
"Ik heb het vergeven, maar het is afschuwelijk."
Zijn geluk was intusschen zoo groot, dat ook deze zijn schuldbekentenis het niet verder verstoorde, dan dat zij er een nieuwe schaduw aan verleende. Zij had hem zijn zonden vergeven; maar sedert achtte hij zich harer nog meer onwaardig, hij boog zich in zedelijk opzicht voor haar nog dieper en schatte zijn overdiend geluk slechts nog hooger.