XIII.
Reading edition · Edition 2
"En nu heb ik nog eene aangelegenheid met je te bespreken en je weet ook welke…. Van Anna," zeide Stipan na een korte pauze, waarin hij die onaangename herinnering trachtte te verdrijven. Bij het noemen van Anna's naam onderging Karenins gelaat eene geheele verandering; in plaats van het kalme zelfbewustzijn, dat het tot hiertoe had gekenmerkt, trad daarop onrust, bezorgdheid en de wensch deze gevoelens te verbergen te voorschijn. Hij zag zijn zwager vijandig aan en was vooraf besloten hem niet toe te geven.
"Wat wil je dan eigenlijk van mij?" zeide hij, zich onrustig op zijn stoel bewegend.
"Eene echtscheiding, op een of andere wijze eene echtscheiding, Alexei Alexandrowitsch. Ik wend mij nu tot u, niet als tot den beleedigden echtgenoot," wilde Stipan Arkadiewitsch zeggen, maar vreezende daardoor de zaak te bederven, zeide hij in de plaats: "Niet als tot een staatsman,"—hetgeen volstrekt niet te pas kwam,—"maar als tot een goed mensch en christen. Ge moet medelijden met haar hebben."
"In welk opzicht?" vroeg Karenin met een koelen, spottenden lach.
"Ja, je moet medelijden met haar hebben! Had je haar gezien zooals ik, die haar den geheelen winter heb gadegeslagen, je zoudt u over haar ontfermen. Haar toestand is troosteloos, werkelijk troosteloos!"
"Mij dunkt," antwoordde Karenin koud, "Anna Arkadiewna heeft alles, wat zij zelf gewenscht heeft."
"Ach, Alexei Alexandrowitsch, om Gods wil! geen wedervergelding voor hetgeen eenmaal geschied is. Je weet wat zij nu wenscht en verwacht, namelijk de scheiding."
"Maar ik meen, dat zij niets daarvan weten wil ingeval mijn zoon bij mij zou blijven? In dezen zin heb ik haar geantwoord en beschouw alzoo de zaak als geëindigd."
"Om Gods wil, wind je niet op," zeide Stipan Arkadiewitsch, de knie zijns zwagers aanrakend. "Sta me toe! De zaak is de volgende: Toen je van elkander gingt, handeldet gij zoo grootmoedig als men handelen kan, je stond haar alles toe, de vrijheid en—de scheiding. Zij wist dat te waardeeren. Ja, geloof me, zij heeft dat weten te waardeeren. Maar in de eerste oogenblikken was zij zich zoozeer haar schuld tegen u bewust, dat zij niet alles rijp heeft overlegd, maar zij kon ook niet alles overleggen…."
"Anna Arkadiewna's leven kan mij niet interesseeren," viel Karenin hem met opgetrokken wenkbrauwen in de rede.
"Maar haar positie in de wereld is eene onmogelijke," ging Oblonsky voort, hem weder met de hand aanrakend, alsof hij overtuigd was, dat zulk eene aanraking zijn zwager zou verteederen: "Haar toestand is ondragelijk en kan slechts door u worden verlicht, en je verliest daarbij niets. En dan heb je het haar ook beloofd."
"Te voren! Dat was een vroegere belofte! Maar mij dunkt de vraag omtrent mijn zoon heeft aan alles een einde gemaakt. Buitendien had ik ook gehoopt, dat Anna Arkadiewna zoo edelmoedig zou zijn…." Alexei Alexandrowitsch was bleek geworden en sprak dit met moeite en met bevende lippen.
"Zij laat ook alles aan uw edelmoedigheid over; zij smeekt en bidt u slechts om dit eene: haar uit dezen ondragelijken toestand te bevrijden. Zij maakt volstrekt geen aanspraak meer op den zoon. Alexei Alexandrowitsch, gij zijt een goed mensch. Stel je een oogenblik in haar plaats. De vraag der scheiding is voor haar een vraag van leven en dood. Had je het haar vroeger niet beloofd, dan zou zij zich met haar toestand verzoend hebben en zou op het land zijn gebleven; maar je hebt het haar beloofd, zij heeft je geschreven en is toen naar Moskou overgekomen; en hier in Moskou, waar elke ontmoeting haar als een dolksteek door het hart gaat, vertoeft zij nu sedert zes maanden, elken dag op de echtscheiding wachtende! Dat is evenzoo als dat men een ter dood veroordeelde maanden lang met den strop om den hals laat rondgaan en hem van daag den dood en morgen gratie in uitzicht geeft. Heb toch mededoogen met haar, en dan wil ik wel op mij nemen al het verdere te regelen. Vos scrupules…."
"Daarvan, daarvan spreek ik niet," viel Karenin hem met onwil in de rede: "Maar ik heb wellicht iets beloofd, wat ik niet beloven mocht."
"Je wilt dus herroepen, wat je beloofd hebt?"
"Ik heb nimmer een belofte verbroken, als het mogelijk was ze te vervullen. Maar ik wensch, dat men mij tijd laat om te overleggen, in hoever het mogelijk is, wat ik beloofd heb…."
"Neen, Alexei Alexandrowitsch," riep Oblonsky uit en sprong op. "Dat kan en wil ik niet gelooven! Zij is zoo ongelukkig als slechts een vrouw zijn kan, en je kunt haar onmogelijk weigeren aan zulk…."
"Men kan slechts beloven wat mogelijk is. Vous professez d'être un libre-penseur—maar ik, als een geloovig mensch, kan in zulk een gewichtige zaak niet tegen de Christelijke geboden handelen."
"Maar in de geheele Christenheid, en ook bij ons zooveel ik weet, is een echtscheiding geoorloofd." antwoordde. Oblonsky en staarde opmerkzaam in het geheimzinnig en donker gelaat van zijn zwager. "Ook onze kerk laat een echtscheiding toe."
"Zij laat ze toe, maar niet in dit geval."
"Alexei Alexandrowitsch, ik herken je niet," zeide Oblonsky na een oogenblik zwijgens. "Waart ge dan niet degene, die alles had vergeven en, slechts geleid door een Christelijk gevoel, bereid waart alles op te offeren?" Je hebt zelf gezegd: "Als men den rok neemt, wil ik ook den mantel geven…. En nu…!"
"Ik bid je," zeide Karenin plotseling verbleekend met bevende en klagende stem, terwijl hij opsprong: "Ik bid je dit gesprek te staken…."
"Ach neen, vergeef mij als ik u leed gedaan heb," zeide Oblonsky en reikte hem met een verlegen lachje de hand. "Maar ik moest als gezant toch aan mijn opdracht voldoen."
Alexei Alexandrowitsch dacht na.
"Wanneer," dacht hij, "zal eindelijk deze smaad en vernedering een einde nemen? Is het mogelijk, dat die eene fout, dat ik deze zedelooze vrouw heb gehuwd, al deze ellende heeft nagesleept? En welke vernederingen zullen nog volgen? En wanneer? Thans, nu ik mij geestelijk zoo verheven, bevrijd van menschelijke dwaasheden en zoo nabij mijn Heiland gevoel! Zal ik mijn belofte breken of—mij vernederen? Ik zelf kan dat niet beslissen. Ik zal mij in Gods hand stellen en Zijne leiding volgen."
"Ik zal het overleggen en op een aanwijzing wachten. Overmorgen zal ik u mijn beslissend antwoord geven," zeide hij peinzend.
Stipan Arkadiewitsch wilde heengaan, toen Karnej binnentrad en "Sergej Alexejewitsch" aandiende.
"Sergej Alexejewitsch?" vroeg Oblonsky, doch zich dadelijk bezinnend, liet hij volgen: O, Serëscha! Ik dacht reeds aan den departements-directeur. Anna heeft mij verzocht ook Serëscha te groeten.
En hij herinnerde zich haar klagende, schuchtere uitdrukking, waarmede zij bij zijn heengaan gezegd had. "Je zult hem toch zien? Tracht ook uitvoerig te vernemen, hoe 't hem gaat en wie bij hem is. En Stiwa … als het mogelijk ware! Het is misschien mogelijk!" Stiwa had de beteekenis van dit "als het mogelijk ware" verstaan, maar hij zag nu in, dat daaraan—dat bij de scheiding haar de zoon werd toegekend—volstrekt niet was te denken. Nu verheugde hij zich slechts zijn neef te zien.
Alexei Alexandrowitsch herinnerde zijn zwager, dat in tegenwoordigheid des zoons nimmer van de moeder werd gesproken en dat hij derhalve ook hem verzocht met geen woord aan haar te herinneren.
"Na het laatste wederzien zijner moeder is hij zeer ziek geworden," zeide Alexei Alexandrowitsch. "Wij vreesden zelfs voor zijn leven. Maar een verstandige vrouw en de zeebaden hebben zijn gezondheid weer hersteld en nu heb ik hem op raad van den dokter op school gedaan. En de omgang met zijn makkers oefent inderdaad een goeden invloed op hem uit; hij is nu volkomen gezond en leert goed."
"Welk een flinke jongen ben je geworden! Volstrekt geen Serëscha meer, maar al werkelijk een Sergej Alexejewitsch!" zeide Oblonsky lachend, terwijl hij den knappen, frisch opgegroeiden knaap aanzag, die driest en ongedwongen in zijn donker buis en lange pantalon de kamer binnenkwam. Hij groette zijn oom als een vreemde, maar bloosde toen hij hem herkende en wendde zich snel van hem af, alsof hem een of ander geërgerd had. Hij trad voor zijn vader en reikte hem zijn schoolattest over.
"Nu 't is goed, je kunt weer gaan," zeide de vader.
"Hij is slanker en grooter geworden; hij is geen kind meer, maar een jongen," zeide Stipan Arkadiewitsch. "Kun je u mijner nog herinneren?"
De knaap zag haastig zijn vader aan.
"Ja ik herinner mij nog—mon oncle," antwoordde hij en zag hem aan om dadelijk weer den blik neer te slaan.
De oom riep hem bij zich en nam zijn hand. "Nu, hoe gaat het je dan?" vroeg hij, wenschende een gesprek te beginnen, maar wist zelf niet, wat hij zeggen zoude.
De knaap bloosde en trachtte behoedzaam en zwijgend zijn hand terug te trekken. En als een vogel, dien men de vrijheid weder geeft, stond hij, toen zijn oom hem had losgelaten, slechts een oogenblik stil, om weder zijn vader vragend aan te zien, en verliet toen de kamer met snelle schreden.
Er was een jaar verloopen sedert Serëscha zijn moeder het laatst had gezien. Na dien tijd had hij niets meer van haar vernomen. In hetzelfde jaar was hij op school gekomen en leerde hij zijn makkers kennen en liefhebben. De droomen en herinneringen, die met zijn moeder in betrekking stonden, hielden hem na zijn ziekte niet meer bezig en hij beijverde zich zelfs zich er tegen te verzetten, daar hij er zich voor schaamde, dewijl hij ze wel gepast vond voor een meisje, maar niet voor een jongen, die reeds de school bezocht. Hij wist, dat tusschen zijn vader en zijn moeder eene oneenigheid was ontstaan, tengevolge waarvan zij gescheiden waren, en hij trachtte zich aan deze daadzaak te gewennen.
Toen hij zijn oom zag, die op zijn moeder geleek, werd het hem onbehagelijk te moede, want het deed in hem herinneringen ontwaken, waarvoor hij zich schaamde. Het was hem te onaangenamer, omdat hij uit eenige woorden, die hij toen hij aan de deur wachtte gehoord had, en uit de houding van vader en oom kon opmaken, dat juist over zijn moeder was gesproken. En om zijn vader niet te veroordeelen, met wien hij leefde en van wien hij afhing, vooral echter om zich niet aan zijn gevoeligheid over te geven, die hij vernederend achtte, poogde hij dien oom, die gekomen was om zijn rust te verstoren, niet aan te zien en niet aan datgene te denken, waaraan hij hem herinnerde.
Maar toen Stipan Arkadiewitsch, die kort na hem heenging, hem buiten op de trap inhaalde, hem bij zich riep en vroeg, hoe hij in de school de tusschenuren doorbracht, liet zich Serëscha, omdat hem de tegenwoordigheid zijns vaders niet stoorde, met hem in een gesprek in.
"Wij spelen nu altijd spoorweg," antwoordde hij. "Ziet u, dat wordt zoo gedaan: Twee gaan op een bank zitten, dat zijn de passagiers, en een staat op den bank, de anderen spannen zich er voor. of alleen met de handen of met de gordelriemen. En dan gaat het door alle kamers. De deuren zijn al vooraf opengezet. Het moeilijkste is het daarbij conducteur te zijn."
"Dat is zeker degene die staat?" vroeg Stipan lachend.
"Ja, daarbij moet men onbevreesd en vlug zijn, vooral als de anderen plotseling stilhouden of als iemand valt."
"Ja, dat is geen gekheid," zeide Oblonsky en zag treurig in deze levendige oogen, die geheel aan de moeder herinnerden, maar die niet meer geheel kinderlijk onschuldig waren. Deze lieve jongen boezemde hem deernis in, en hoewel hij Karenin beloofd had niet met hem over Anna te spreken, kon hij dit toch niet nalaten.
"Herinner je uw moeder nog?" vroeg hij plotseling.
"Neen, ik herinner mij niet," antwoordde Serëscha snel, werd purperrood en sloeg de oogen neder. Verder vermocht de oom niets uit hem te halen.
Serëscha's gouverneur vond een half uur later zijn kweekeling nog bij de trap en wist niet, of hij weende of ergens over mokte.
"Heb je u gestooten of ben je gevallen?" vroeg hij. "Ik heb altijd gezegd, dat dit een gevaarlijk spel is. Ik zal het den directeur nog moeten zeggen."
"Als ik mij bezeerd had, zou niemand het merken; dat is wel zeker."
"Wat scheelt er dan aan?"
"Ach, laat mij! Of ik mij herinner of niet,—wat gaat hem dat aan? Waarom zou ik mij herinneren? Laat mij met rust!" wendde hij zich niet tot zijn gouverneur, maar tot de geheele wereld.
Dat was de laatste herinnering van den zoon aan zijn moeder.