XXII.
Reading edition · Edition 2
Na zijn ontmoeting met Wronsky was Karenin overeenkomstig zijn plan naar de Italiaansche opera gereden. Hij bleef gedurende het tweede bedrijf en zag allen, die hij zien moest. Toen hij weer te huis kwam, keek hij oplettend naar den kapstok en toen hij daar geen militairen paletot ontdekte, ging hij naar zijn kamer. Maar tegen zijn gewoonte ging hij niet te bed, maar ging tot drie uur in den nacht zijn kamer op en neder. Het gevoel van toorn tegen zijn vrouw, die de welvoegelijkheid niet bewaren en de eenige haar gestelde voorwaarden niet vervullen wilde, ontnam hem de rust. Zij had niet aan zijn verlangen voldaan, derhalve moest hij haar straffen en zijn bedreiging volvoeren—de scheiding bewerkstelligen en haar den zoon ontnemen! Hij kende al de omslachtigheid, die daarmede gepaard zou gaan, maar nu moest het geschieden.
Hij kon den geheelen nacht niet slapen; zijn toorn en ergernis klom bij toeneming en had tegen den morgen het toppunt bereikt. Hij kleedde zich haastig, alsof hij vreesde iets uit de volle schaal van zijn toorn te storten, begaf zich dadelijk naar zijn vrouw om niet met zijn toorn ook zijn energie te verliezen.
Toen Anna, die meende haar echtgenoot zoo wel te kennen, hem zag, was zij getroffen. Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijn oogen stonden somber en vermeden haar aan te zien, zijn lippen waren vast en verachtend opeen geklemd. In zijn houding, zijn beweging, in den klank zijner stem lag een vastberadenheid, die zijn vrouw tot hiertoe niet in hem gekend had. Hij trad de kamer binnen en, zonder haar te groeten, ging hij terstond naar haar schrijftafel, nam den sleutel en opende een schuiflade.
"Wat wilt ge?" riep zij uit.
"De brieven van uw minnaar!" antwoordde hij.
"Die zijn daar niet," zeide zij en wilde de lade toeschuiven, maar aan deze beweging bemerkte hij, dat zijn vermoeden juist was, en, terwijl hij haar hand ruw wegduwde, greep hij snel de schrijfportefeuille, waarin hij wist, dat zij haar gewichtigste brieven placht te bewaren. Zij wilde ze hem ontrukken, maar hij stiet haar van zich.
"Ga zitten; ik moet met u spreken," zeide hij en drukte de portefeuille zoo vast onder den arm, dat de schouder omhoog kwam.
Zij zag hem verrast en bevreesd aan.
"Ik heb u gezegd, dat ik u niet toesta uw minnaar hier te ontvangen."
"Ik moest hem zien om…."
Zij hield op, omdat zij geen reden wist te vinden.
"Ik wil de bizonderheden niet weten, waarom een vrouw haar minnaar moet zien."
"Ik wilde slechts…." riep zij opstuivend uit. Zijn grofheid tergde haar en gaf haar den moed terug. "Gevoelt gij dan niet, hoe gemakkelijk het voor u is mij te beleedigen?" zeide zij.
"Beleedigen kan men slechts een eerlijk mensch, maar als men tot een dief zegt, dat hij een dief is, is dit slechts het vaststellen van eene daadzaak."
"Dezen nieuwen trek van wreedheid heb ik tot hiertoe nog niet in u gekend."
"Gij noemt het wreedheid, als een man zijn vrouw alle mogelijke vrijheid geeft en haar naam een eerbaar schild, slechts onder voorwaarde, de welvoegelijkheid te bewaren; dus dat is wreedheid?"
"Het is erger dan wreedheid, het is gemeenheid, als gij het weten wilt," riep Anna in een oproer van woede uit en stond op om heen te gaan.
"Neen," riep hij met piepende stem, die nu nog een noot hooger klonk. En terwijl hij met zijn groote vingers haar arm zoo heftig greep, dat de drukking van den armband roode sporen achter liet, drong hij haar met geweld op haar stoel terug.
"Gemeenheid? Als gij dit woord wilt gebruiken, dan is het gemeenheid, dat een vrouw voor een minnaar haar man, wiens brood zij eet, en haar zoon verlaat!"
Zij boog het hoofd. Zij dacht nu niet aan haar woorden van gisteren tot den beminde, dat deze slechts haar man, maar haar echtgenoot een overtollig persoon was;—zij besefte nu slechts de volle waarheid zijner woorden en zeide zacht: "Gij kunt mijn toestand niet erger schilderen, dan ik zelf mij dien voorstel. Maar waarom zegt gij mij dit alles?"
"Waarom ik het zeg? Waartoe?" ging hij toornig voort: "Opdat ge zoudt weten, dat ik mijn maatregelen nemen zal om aan dezen toestand een einde te maken!"
"Die zal ook wel spoedig een einde nemen," zeide zei en wederom kwamen haar bij de gedachte aan den nu zoo gewenschten dood de tranen in de oogen.
"Ja, het zal een vroeger einde nemen, dan gij het met uw minnaar gedacht hebt! (Hij bezigde dit woord bizonder dikwijls). Gij hebt voldoening noodig voor uw zinnelijke hartstochten…."
"Alexei Alexandrowitsch, het is niet slechts niet grootmoedig, het is onwelvoegelijk, een machtelooze te slaan."
"Ja aan u zelf denkt gij, maar het lijden van een mensch, die uw echtgenoot was, treft u niet. Het is u onverschillig, of zijn leven is verwoest, dat hij uit … uitgeleden…."
Hij sprak zoo snel, dat hij in de war geraakte en begon te stotteren. Het werd haar belachelijk, maar dadelijk schaamde zij zich over deze opwelling in dit oogenblik. Hij hield op en tot haar verrassing bemerkte Anna, dat zijn oogen zich met tranen vulden. En voor de eerste maal verplaatste zij zich voor een oogenblik in zijn toestand en had zij medelijden met hem. Maar wat kon zij zeggen of doen? Zij boog het hoofd en zweeg. Ook hij zweeg een poos; toen begon hij weer te spreken, maar op minder scherpen en kouden toon:
"Ik wilde u zeggen, dat ik morgen afreis naar Moskou en niet weer in dit huis zal terugkeeren. Mijn advocaat zal u mijn besluiten mededeelen. Mijn zoon zal naar mijn zuster gaan."
"Gij hebt Serëscha noodig om mij smart aan te doen," zeide zij op kleinmoedigen toon: "Gij houdt niet van hem…. Laat mij Serëscha!"
"Ja, zelfs de liefde voor mijn zoon heb ik verloren, omdat met hem mijn afschuw tegen u is verbonden; maar in weerwil daarvan neem ik hem met mij—Adieu!"
Hij wilde gaan, maar nu hield zij hem staande: "Alexei Alexandrowitsch, laat mij Serëscha," vroeg zij andermaal op zachten toon.
"Ik heb niets meer te zeggen. Laat Serëscha tot mijn terugkomst…."
"Ik zal spoedig—bevallen. Laat hem mij!"
Alexei Alexandrowitsch werd rood. Hij onttrok haar zijn hand en verliet zwijgend de kamer.——