← Table of contents
Anna Karenina

XVIII.

Reading edition · Edition 2

De koetsier deed het vierspan stilhouden en keek naar het roggeveld, waar naast een telega verscheiden boeren zaten. De schrijver riep en wenkte hen. Een van de boeren stond op en naderde de kales.

"Naar Wosdwijenskoye? Naar het heerenhuis? Naar den graaf?" herhaalde hij. "Hier dadelijk achter de kromming links afslaan, dan rechtuit. Naar wien wilt gij gaan? Naar hem zelf?"

"Zijn zij thuis, Golubtschik?" vroeg Dolly, verlegen zijnde, hoe ze de boeren naar Anna zou vragen.

"Ja wel," antwoordde de boer. "Gisteren zijn er ook reeds gasten gekomen. Veel, veel gasten! Nog niet lang geleden zijn ze hier voorbij gereden. Wie zijt gij?"

"Wij komen van heel verre," antwoordde de koetsier. Hij trok de teugels aan, maar nauwelijks zetten de paarden zich weer in beweging, of de boer riep hem achterna: "Halt, heidaar, koetsier! Daar komen zij zelf! Daar zijn ze! Zie eens, hoe zij rennen!" Daarbij wees bij op vier ruiters en een char à bancs met twee personen, die op den weg naderden. Het waren Wronsky met een jockey, Wesslowsky en Anna te paard, en vorstin Warwara Iwanowna met Swijaschsky in den wagen. Zij waren uitgereden om eenige pas aangekomen maaimachines in werking te zien.

Toen de wagen stilhield, kwamen de ruiters stapvoets naderbij. Vooraan reed naast een heer op een grooten grauwen telganger een dame op een niet heel grooten, maar krachtigen Engelschen klepper met geschoren manen en afgesneden staart. Het schoone hoofd der dame met het onder den hoed uitgolvend zwarte haar, haar gevulde schouders, de slanke taille in het zwarte rijkleed en haar volkomen rustige en bevallige houding frappeerden Dolly. "Is dat Anna?" dacht zij en het scheen haar in het eerste oogenblik niet zeer welvoegelijk, dat Anna reed. Met een dame, die reed, verbond zich voor Dolly de voorstelling van een lichte, jeugdige coquetterie, die naar haar meening voor Anna's leeftijd en positie niet meer paste, maar toen zij haar nader beschouwde, verzoende zij zich weer met haar rijden; in weerwil van groote élégance was toch alles in Anna's houding, kleeding en beweging eenvoudig, kalm en waardig, zoodat niets natuurlijker kon schijnen.

Naast Anna, op het grauwe, vurige cavaleriepaard, de dikke beenen recht uitgestrekt en klaarblijkelijk zich zelf bewonderend, reed Wassenka Wesslowsky, met zijn Schotsch mutsje met wapperende linten, en Dolly kon een glimlach niet onderdrukken, toen zij hem herkende. Achter hen reed Wronsky op een verhitten, donkerbruinen volbloed.

Anna's gelaat werd plotseling bij den aanblik der kleine, in den hoek der kales teruggedoken gestalte van Dolly door een vergenoegd lachje verhelderd; zij riep luide, verhief zich in den zadel en liet het paard in galop naderen. Bij den wagen sprong zij zonder hulp uit den zadel en, terwijl zij haar rijkleed ophield, liep zij snel Dolly te gemoet. "Dat heb ik gehoopt, maar waagde nauwelijks het te verwachten! Dat verheugt mij! Je kunt je niet voorstellen, hoe blij ik ben," zeide zij, terwijl ze nu eens haar gelaat tegen dat van Dolly drukte, dan haar weer van zich afschoof en haar lachend aanzag.

"Dat is heerlijk, Alexei," zei ze, zich naar Wronsky omkeerend, die eveneens afgestegen was en hen naderde, terwijl hij zijn hoogen, grijzen hoed afnam.

"Ge kunt niet denken, hoezeer ons uw komst verheugt," zeide hij met nadruk en toonde lachend zijn gezonde, witte tanden.

Wassenka Wesslowsky nam, zonder af te stijgen, groetend zijn klein mutsje af en zwaaide vroolijk met de linten boven zijn hoofd. "Dat is prinses Warwara," antwoordde Anna op Dolly's vragenden blik, toen nu ook de jachtwagen naderde.

"Zoo!" zeide Dolly en haar gezicht drukte onwillekeurig ontevredenheid uit. Prinses Warwara was immers ook de tante van haar echtgenoot; zij kende haar reeds lang en koesterde slechts weinig achting voor haar; zij wist, dat deze haar geheele leven als klaploopster bij rijkere verwanten doorbracht en dat zij zich nu bij Wronsky, een haar vreemd man, ophield, geneerde haar om de verwantschap met haar man. Anna bemerkte deze uitdrukking in Dolly's gelaat, zij werd verlegen, bloosde, liet haar kleed los en trad er op.

Dolly was uit haar wagen geklommen en begroette vorstin Warwara op koelen toon. Ook Swijaschsky was haar bekend. Hij informeerde naar zijn origineelen vriend, hoe deze met zijn jonge vrouw leefde en terwijl hij met een vluchtigen blik de niet bij elkander passende paarden en het gelapte leer aan Dolly's koets overzag, sloeg hij de dames voor in den jachtwagen te rijden.

"En ik rijd met prinses Warwara in haar rijtuig," zeide hij, "te meer, daar de vorstin bang is in deze char à bancs." "Neen, allen blijven op hun plaats," zeide Anna, "en wij rijden in de kales." Zij nam Dolly onder den arm en leidde haar weg.

Dolly's oogen waren eerst door deze elegante equipage, door de fraaie paarden en de schitterende personen, die haar omringden, geheel verblind. Het meest trof haar echter de verandering, die met de haar zoo goed bekende en geliefde Anna had plaats gevonden. Een andere vrouw, die Anna vroeger niet gekend had en niet zulke gedachten en beschouwingen had gehad als Dolly onderweg, zou aan Anna niets bizonders bemerkt hebben. Maar haar, Dolly, viel nu de slechts haar tijd durende schoonheid van Anna op, zooals zij de vrouwen alleen eigen is in de oogenblikken, dat zij beminnen. Alles bij Anna was aantrekkelijk: de diepe kuiltjes in kin en wangen, de volheid der lippen, de glimlach, die haar gelaat verhelderde, de glans harer oogen, de bevalligheid en snelheid harer bewegingen, de volle toon harer stem, zelfs de wijze, waarop zij half vriendelijk, half verdrietig Wesslowsky op zijn verzoek zich op haar paard te mogen zetten en hem ook met den rechtervoet te laten galoppeeren antwoordde: "Nu, neem mijn paard dan maar!"—Dit alles was bevallig; en zij zelf scheen zich daarvan bewust te zijn en verheugde er zich over.

Toen de beide vrouwen in den wagen zaten, overviel haar een zekere beklemdheid. Anna geraakte door den onderzoekenden blik van Dolly in de war en Dolly, omdat zij zich, zooals Swijaschsky opmerkte, schaamde over het oude, vuile rijtuig, waarin Anna met haar was gaan zitten. Ook de koetsier Philip en de schrijver hadden en dergelijk gevoel. De laatste was, om zijn verlegenheid te verbergen, de dames ijverig bij het uitstappen behulpzaam, maar de koetsier Philip keek norsch voor zich uit en besloot reeds vooraf zich naar dien uiterlijken glans niet te schikken. Hij lachte ironisich, terwijl hij naar den zwarten harddraver keek, en oordeelde in zijn binnenste: deze zwarte daar voor den jachtwagen is slechts voor "bromenascha" geschikt, maar om veertig werst in de zonnehitte te loopen, daarvoor deugt hij niet. De boeren bij de telega waren allen opgestaan en keken nieuwsgierig en vroolijk naar de begroeting der gasten, terwijl ze daarbij hun aanmerkingen maakten.

"Die zijn ook in hun schik; ze hebben elkaar zeker in lang niet gezien! zeide een kroeskop, die zijn haar met lindenbast samengebonden had.

"Zie eens, oom Garoszim, deze zwarte moest onze garven rijden dat zou flink gaan!"

"Kijk eens! die daar in zijn onderbroek! Is dat een vrouw?" vroeg een van hen, terwijl hij naar Wesslowsky wees, die zich in Anna's dameszadel zette.

"Neen, oude. Zie maar eens, hoe flink hij daar heen rijdt!"

"Nu, jongens, van slapen zal wel niet meer komen?"

"Zouden we dan nu nog kunnen slapen?" zei de oude, terwijl hij naar de zon keek. "Het middaguur is reeds lang voorbij. Neemt de bijlen! Vooruit!"

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings