V. ’98–’99.
Reading edition
Twaalf Uur!… En twaalf maal voor heel ’t Jaar verron
Bong-bangt m’een gong, nu ’t met een groetgebaar
Een sabel strekt, voor ’t wijkt: met goud galon
Op ’t heilig-witte kleed straalloos de Zon,
Lakrood, bezweefd door gouden Adelaar,
In violette sjerp. Na lang gestaar
Tot ’t laatst gedreun, verzwind het, Geest van Strijd,
Maar di in Schoonheid, als nog noojt mij blonk,
Van heel een niwe wereld rust m’ook schonk.
Niew Jaar, dat óók japans mij nader glijd,
Zacht blauw omsleept in gulden kikoe-gloed,
Wees gij tans maar als vredebô gegroet.