← Table of contents
Japanse Verzen

XVI. II. Natsoe.98

Reading edition

Rondom de zon-trofee, ’t azuur af, hangen

Lichtblauwe foedzji’s wijder steeds ten hogen,

Of ze als een vloed geluk ter aarde langen.

Van hitte als van krekel-gons bewogen

Zoemt d’atmosfeer en moe van ’t zwoele prangen

Zucht zij uit donker-rode’ azalea-bogen

Met hete monden. Door den gloed bevangen

Zijn de schildpadden—roerloos nu—getogen

In ’t lommer.—

In ’t lommer.— Licht met biwa-tonk’ling glijden

Vioolslank door goudvloed en lotusweiden

De gondels achter gaap van drakenmuilen,

Di geisha’s sluimerend in hun tent omtuilen.

En tot in ’t donkerst diep der huizen lomen

Van Boeddha’s d’ogen tot dof, Indies dromen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings